334
den socialistischen strijd, maar meer toch met z'n verstand, z'n diagnostische sociologie, dan met z'n hart.
Ik had hem al eens heel sterk om z'n afzondering onderhanden genomen, hem duidelijk gemaakt, dat in dezen grooten, van geweldig strijdgerucht doorgalmden tijd, afzondering zwakte, in plaats van kracht beteekent, maar nü, in die droefnis wou ik geen woord van verwijt mengen.
Ik was zelf ook te zeer verslagen over zooveel psychisch leed.
— 't Zestiende kind, van 'n zwakke moeder en vader, met 'n tuberkuleuzen pols, waar deugt zoo'n schepsel voor, —• was vroeger altijd z'n ironisch praatje geweest.
Nü zei hij daar niets van, maar eerst toen geloofde ik hem volkomen.
Florence, na 't sombre verhaal van zijn vernieling, barstten en schreiden weeën in me op. Ik wou hem toen, in al mijn eigen ellende en zwakte-gevoel moed inspreken.
Ik voelde, voelde diep, dat vandaag de dokter bij z'n patiënt kwam om wat innerlijke hulp.
Er gebeurde iets heel vreemds.
Ik, die mij zelf nog heel dicht bij den dood kon rekenen, sprak hem met ontroering en innigheid, toch sterk en zuiver, moed in ; aan den man, die mij zelf weer 'n end 't leven ingetrokken had.
Ik sprak, sprak, achtereen wel 'n uur.
Ik zei, dat hij heel verkeerd deed door zoo melancholiek te zijn, dat juist nü hij z'n prachtige opgewektheid en schertsenden humor van vroeger losliet, zijn toestand moest verergeren al begreep ik zelf heel goed, dat 't verliezen van die innerlijke levenskracht oorzakelijk voortvloeide uit z'n ongesteldheid. Maar ik doordrong hem, met 'n vurig, diep en suggestief geloof aan herstel, van geluk en liefde-om-'m-heen. Ik wou me heelemaal geven, geven voor hem, dien troosteloozen, innigen vriend. Wat er ook gebeurde met-mezelf, als ik hèm maar weer zag opleven.
Geen oogenblik mocht ik denken aan eigen vernieling en instorting.
Hij zelf erkende, dat ik er vreeselijker aan toe was, dan hij.