332
Eindelijk voelde ik. dat ik toch iets, hoe tartend-langzaam óók, vooruitging.
Wanneer mijn dokter nu soms twee of drie dagen achtereen niet kwam, had ik ook niet zooveel angst meer als vroeger.
Ik strompelde nu 'n beetje alleen door de kamer als 'n scharrelend oud-mannetje, blind en rheumatiekig, van bij de honderd, 't Vreeselijkste gevoel was altijd nog die gewichtendruk, de knellingen, duizelingen en de rug-martelende zwakte.
Na eenige dagen weggebleven te zijn, kwam mijn dokter weer. Hoe schrok ik hevig, toen ik zijn gezicht zag ! Al de fijne geestigheid was uit zijn rabbi-hoofd weg. Z'n oogen doften achter z'n bril als van 'n absinth-dronkaard. Er zat een ziekelijke, akelige vermagering in z'n jukken, en z'n houding leek zoo apathisch, dat ik er van rilde.
Was dat mijn dokter, die, voor 'n half jaar terug, zoo opgewekt in m'n duistere alkoof verscheen, me zoo energiek en levenslustig toegesproken had ?
Ik zag hem naar me toestappen, traag, ellendig, ingebukt, heelemaal weg in de starre onverschilligheid van verbitterde melancholie.
Loom vroeg hij, hoe 't me die dagen gegaan was.
Hij sprak mechanisch. Ik voelde, dat hij 't antwoord niet eens hooren zou.
Ik voelde 'n stoot, alsof ik weer terugviel in mijn allereerste ziekte-ellende.
Maar gauwer dan ik dacht, kwam er weer kalmte in me terug, vroeg ik wat hem scheelde.
Toen Florence volgde er 'n vreeselijke bekentenis.
Hij vertelde me van zijn aftobbende en schrik'lijke worstelingen, om 's nachts van zijn geestelijk leven los te komen en te slapen.
Hij liet me zien, dat hij, op 'n ander plan van psychisch leven, precies onderging, waar ook ik over geklaagd had. Hij wist, dat ik al m'n menschen, karakters, in 'n dramatische groepeering tot laat in den nacht vóór me had leven, in alle bizon-