331
Hun gevlieg in pracht-cierlijke kringen door de lucht, plots hun zwenking naar 't liefdes-plat was me altijd een nieuwe verrassing.
En de kolonie witte vogels was zoo groot ! 't Gekir, gekus, getrekkebek, zoo druk, en er waren zulke guitige, peinzende en filosofische karakters onder.
Soms zag ik vier, vijf mannetjes op 'n rijtje, tusschen de liefdesverrukkingen der anderen in, meewarig zitten neerkijken op hun hartstochtelijke broeders, of inéén starend als asketen, den blik stroef en onbewegelijk afgewend, 't kropje voornaam opgetrokken, en in alles, onaantastbaar-wijs en ongepassionneerd.
Je ziet Florence, hoe dat duivenleventje me de lentenatuur, in z'n drang naar rijping liet voelen, en al meer zong 't in m'n ziel, soms droef als 't smeekend gekoer van 'n afgewezen tortelminnaar. Maar toch was 't niet 'n triest geneurie.
Wat 'n vreemd roepen dat koeren toch voor mij was !
Het klonk me soms heel geheimzinnig, zacht en ver, en zoo teer, zoo teer !
Soms heel innig, doorstreeld van een zoete zinnelijkheid, maar toch altijd fijn en broos.
Eindelijk kwam de tijd, dat ik vooral 's morgens meer op straat kon loopen, met zus, of 'n vriend. De verpleegster was afgedankt, waarmee ik opgelucht werd. Haar hulp had ik 's nachts toch niet meer noodig.
Ik sliep achter, Zus vóór. Ze kon me hooren wanneer ik 't al te benauwd kreeg.
Drie, viermaal 's nachts, gaf ze mij water, droogde 't nood-zweet van m'n hoofd, en bracht wat uiterlijke kalmte aan.
M'n droomwereld bleef éven ontzettend eiken nacht z'n monsterlijke schoonheden of helsche gedrochten met woeste dramaturgie voor me vertafreelen.
Dat hield nooit, zelfs geen uur op.
Toch sprak ik er met niemand meer over, omdat ik, zooals ik je verteld heb, z'n nawerking met 'n allesverpletterenden wil wou negeeren.