329
Sterker voelde ik 't. Ik zou nooit meer genezen, nooit mijn krachten terug krijgen.
't Gezicht van mijn dokter betrok al meer en meer, bij alles wat hij van me zag.
Koude wasschingen, inwikkelingen, rust, stille, afzondering, niets scheen te helpen. Zoo traag en langzaam had hij nooit iemand zien herstellen.
Op 'n middag nam hij zich plots voor, alleen met me op straat te gaan.
Ik sidderde, denkende aan mijn eerste instorting, en 't vree-selijk gevoel zoo ver van mijn bed te zijn.
Maar hij drong aan, en ik wilde zelf óók zoo graag.
En 't was góed gedacht.!
Géén tien minuten, maar 'n half uur lang bleef ik met 'm weg. Ik voelde wel de zwakte-uitputting in schouders, rug en beenen afgrijselijk, maar van binnen wras ik rustig en gelukkig. Wél vond ik 't meewarige kijken van omstanders en kennissen naar den strompelenden Koorengel ellendig, maar ik verzette mij er tegen en bleef me, naast m'n dokter loopend, kalm voelen.
Ik voelde weer iets van de bijna altijd-glanzende blijdschap van vóór m'n ziekte in me opgroeien. In dien tijd was ik in doorloopenden aandoeningstoestand van stille, ingehouden vreugde, hoe ik 't ook stormen zag om mij heen.
Was ik vermoeid, beleedigd, gegriefd ; was ik zelf driftig, onhandelbaar en hatelijk, in het allerdiepste van mijn ziel leefde een prachtig en ongeschonden ontroeringsgeluk.
Dat voelde ik weer even terug, onder den wandel. Het was de zachte zielemuziek, even weenend, 't was vredesgevoel, heel broos, maar 't werkte toch door de benauwingen heen.
Dat sereene gevoel, heel éven, gaf me weer rust.
De benauwingen verminderden wat, alleen de zwakte-ellende, gewichtendruk en 't binnen-in-gesplinter van stokken bleven.
De Maartochtenden zonnigden soms prachtig, inschijnend m'n kamer en vóór m'n achtervenster.