328
Maar ik wist nu, dat je in Amsterdam bleef vooreerst, en dus alles zou hooren van mijn toestand.
'n Week lang bleef ik dood voor alle andere dingen om mij heen.
Ik voelde me veel akeliger nog, zóó uitgeput, alsof ik doodbloedde.
O ! hij had wel gelijk, dokter.
V.
't Was 'n mooie Maartdag. Dokter had goed gevonden, dat ik voor 't eerst eens probeerde tien minuten op straat te gaan.
Mijn broer was over bij Zus, en heel even zag ik 't ventje, die mij met m'n baard bijna niet meer herkende.
Met m'n broer en een vriend zou ik 't willen wagen;
Op straat ? Na zes maanden liggen ?
Ik voelde me weer verlamd van ontroering. Vooral nu ik dan niet dadelijk mijn bed meer zou zien, zién met mijn oogen.
Ik strompelde, aan allen kant geholpen, de trap af, en tien minuten lang liep ik, stap-stap, doodelijk langzaam, gearmd met vriend en broer, door de zonnig-zil'vrige Maartsfeer.
Maar ik kon bijna niet ademen, zoo zwaar werkte de lucht op me in.
Ik dacht te stikken van benauwing. De opstijgingen naar 't hoofd deden me waggelen. De heele straat vergolfde z'n huizen en menschen op me af.
M'n knieën knikten, noodzweet verklefte mijn gezicht. Ik hunkerde weer naar de kamer en mijn bed. Als ik zóó moest loopen, wenschte ik me liever dadelijk dood.
Ik was zoo verlamd, dat ik, weer geheel machteloos, naai boven gedragen moest worden.
Twee dagen, na m'n straattochtje kon ik nog niet staan, of ik zakte onmiddellijk inéén.
Lieve, wat dat weer 'n immense smart bracht!