325
Want, is het nu een tijd om zoo uren en uren te wachten op den zang van 'n avondfluitertje, of dagen aan één te bespieden 't nest, de beweging, 't leven van zekere zangertjes, van wie nog niet veel geweten wordt ?
Ik heb mezelf daar niet veel op geantwoord.
Deze moderne menschen voelen zich verzinken in den vrede en 't geluk van de natuurstudie. Ze doorleven haar rijke schoonheid als kunstenaars met 'n diep-innige getroffenheid, zien met een fijn oog het teederste licht en de vlammendste kleurenpracht.
Ze zien de luchten, de velden, de wegen, de bosschen, ze bestudeeren de vogels, de vlinders, insekten en bloemen, en in hun heerlijke studie staan ze buiten den vreeselijken strijd van 't maatschappelijk leven.
Er is een groote zielerust voor noodig, zoo 't gewoel der strijdende massa te negeer en, om zóó ook op te gaan in de zaligheid van natuurstudie, zoo uitsluitend dat wereldje van vogels en insekten stap voor stap te volgen. Maar óók een egöistische onbewogenheid !
Toch, wie weet ! Wie weet, hoe geschokt zij worden, deze menschen, door ellende en dierlijk gezwoeg van nederigen en armen, maar dat zij, in hun overheerschende blijmoedige innigheid en levenslust, zich niet geschikt voelen den strijd voor de vrijheid der zwoegers mee te vechten. Wie weet, of ze niet meenen, zóó 't maatschappelijk leven even nuttig te zijn. Maar ik, ik heb dezen twee schrijvers in de uren van diepste eenzaamheid en verlangen, om hun eenvoud en innigheid, hun rustige vèrhaal-gezelligheid veel prachtige dagen te danken.
IV.
Toch, Florence, bleef mijn enorme zwakte.
De dag, dat jij bij me geweest was, kon niet voor mijn oogen wég.
Wat stom en stil mij daarna alles scheen, kind ?
Je schrikte van mijn vervallen gezicht, van m'n stumperig strompelen, van mijn staren en mijn zwijgen.