317
'n Groote sombering doorschreide de stad, en 'n felle wind sloeg wilde warreling tusschen de huiverende menschen.
Eerst had ik afleiding gevonden in 't buurleske en dolle lijngespeel van den wind. Er zat 'n schaterklucht in z'n speelsch en snaaksch onfatsoen.
Kuische vrouwtjes bolderde hij de rokken öp als windzeilen ; ijselijke fatsoens-juffertjes vlijmde hij de kleeren in hoogst-realistische vouwen langs 't lijf, dat je ze kon zien als ontkleed. Parapluïes deukte hij in, sloeg ze over de balijntjes dóór, en overal vervroolijkte z'n helsche adem een potsierlijkheid tusschen de menschen en dieren in gang en gebaar.
Half omgeblazen en terug waaiende burgerjuffrouwen kriebelde hij bij 'n hoekomslaan in de grimmende, beregende tronies, dat ze radeloos grepen naar scheef gesmakt hoedje of kap, opflapperende kleerenwoel, ingedeukte woest-wegrukkende para-pluie. Lui botsten op elkaar in, vloekten en scholden en van alle kanten striemde de regen aan, in hoos en rafel door de lange duisterende straat.
Ik zag schooirige kerels, parapluloos, grimmig de handen den zakken ingeboord, doorzopen van aangutsend nat; ik zag arme kinderen hollen, en met haren losgewaaide dienstmeisjes schuilen in portiekjes en winkels. —
En eindeloos triest bleef de regen wild klakkeren en glimmeren op de in windhoos zwabberende parapluies, vluchtten de menschen onder den zwart-glanzenden flakker van hun druipende regenschermen her en der.
Ik voelde, dat ik er niet langer naar kijken kon, dat ik in ellende zou uitbarsten als ik niet iets hoorde of deed, dat m'n geest afleiding gaf.
O ! hoe verlangde ik je toen weer te zien ! Dat bewustzijn, dat je zoo vèr van me was, maakte me soms radeloos en bin-nen-in-woest.
Maar ik wist, dat je 'n week later naar me zou komen zien..
Die uren, die uren, hoe traag, zwaar, en grauw verliep alles-om me heen.
Ik zat met zooveel weeke kussens in m'n nek gesteund.