315
Ik begon al langer achtereen op te zitten, soms wel vier uur. Maar de doodelijke zwakte en 't gewichtengehang martelde me overeind-zittend nog erger dan liggend in bed.
Soms was 't uitputtingsgevoel zoo groot, dat ik uren achtereen geen heesch woord kon uitspreken zelfs. Ik leed dan ontzettend. Er is geen vreeselijker aandoening dan zich zóó van binnen gebroken voelen. Het is met niets te vergelijken. De kleinste arm-beweging gaf me 'n vermoeiings-gevoel van uren te hebben rondgemokerd met 'n voorhamer, 't Gloeide, schroeide in m'n lijf. Er verbrandde iets, en m'n hoofd bleef omsperd van hevigste knellingen. Ik wou lós, lós van die martelende gewaarwordingen. Ik had m'n dokter gevraagd, of Zus iets mocht voorlezen, want zélf iets doen, kon ik niet. Een goed vriend had wat boeken voor me meegebracht, denkende, dat ik al zelf kon lezen. Maar ik had geen regel ingezien, of de heele kamer duizelde voor m'n oogen weg en ik-zelf stortte in. Alles stond plots in mist om me heen. Ik begreep niet, wat er met me gebeurde. Ik wist alleen, dat ik eenige sekonden 'n onzegbaar diepe en goddelijke ontroering had gevoeld onder 't lezen van den eersten regel, iets van 'n herrijzenis, een opstanding van den geest ; dat ik toen plots 'n duizel over me gestort kreeg, die me gansch lam sloeg, maar dat ik toch in dien duizel, de heerlijke ontroering van 't eerste gevoel bewaarde .... Ik had weer zélf iets gelezen !
Dagen, nog winterig en guur, verliepen weer. Ik voelde geen merkbare verbetering, 't Leek me 'n traag-luguber voortslepen van 'n uitgeteerd brokje leven. Mijn dokter keek moe-deloozer dan ooit. Ik zag nu, hoe èrg hij zelf leed onder z'n vreeselijke slapeloosheid, en hoe pijnlijk verplooid z'n rabbigezicht stom leed verborg.
Ook hij zag geen wèrkelijken vooruitgang in mijn toestand.
Hij zei 't wel niet ronduit, maar in elk woord leefde z'n teleurstelling en z'n vermoeinis. Mijn benauwingen verminderden heel weinig, keel, borst en hoofd lagen te krampen onder een vreeselijken gewichtendruk en spanning, 't Vuur schoot me