3r3
— Kom beroernnge.. ga fort !.. Jantje jij hier.. ga furt.. bid ! alla.. of ik sla d'r langs..
O ! 't was 'n vreeselijk gehoor Florence ; dat habaaien van de moeder, tusschen de slaperige, zanikende en driftig-elkaar uitjouwende en biddende kleintjes.
Maar ook daaraan wende ik weer.
Ik liep nu wel eens 'n uur met dokter en Zus door de kamers, telkens rustend natuurlijk.
De alkoofdeuren zette de verpleegster dan open, en zoo begon de marsch, van 't uiterste end der vóór, -— tot 't uiterste endje der achterkamer.
Ik zag dan telkens de Van Woustraat in, en dan weer op nieuwe-pijp-achteruit, smoezelige, gore en trieste stads-tuintjes, vermodderd en grauw tusschen verknaagde schuttingplanken. En tuin aan tuin omzaaid met kisten en visch-rommelgerij, van bak-keeten, die tranige stanken verwalmden.
Vlak naast mijn kruideniers-winkel, aan twee kanten, werd gerookt en gebakken, werd geploeterd en gemorst met haring en zoutevisch. En pal ónder mijn raam had de kruidenier-zelf een groot duivenhok, kennisbont bekwast met krul-lijnige tierelantijntjes en goud-blauw dekoratief. Maar de duifjes er in waren van goddelijke pracht.
Even onder mijn venster was 't daar, op 'n zinkdak, een blank duivengerucht, dierkes, wit en grijs en paarlmoerig, vol zacht-gloeiende glanzen bekraagd en be-kuifd.
Als de zon nu en dan op 't zinkdak achteruit ging schijnen en zacht-vurig lichtspelen, was 't één verrukking voor me, die hofmakerijtjes van die koerende trots-borstjes te zien en te volgen in hun schalksche onnoozelheid.
O, Florence, hoe innig-verrast voelde ik, dat er iets fijns lentegeurigs en feesterigs door de lucht kwam aanvloeien. Soms zat ik voor 't open raam, wel 'n uur achtereen. Was ik intusschen niet al te beroerd van hevige rugzwakte en pijn, dan bleef ik nog langer zitten, de lucht indrinkend, in duizel