EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Na dagen van stil doorleefde ontroering had ik pas mijn nieuwe kamers goed opgenomen.
Het leek er 'n typisch-burgerlijk ,,pijp"-woninkje, met 'n zenuwachtige juffrouw-weduwe-verhuurster, 'n huilebalk-ge-zicht; 'n vrouw, die zich weduwe noemde, wijl d'r man er van door was gegaan met 'n café-chantant-zangeres.
Er blankte properheid in de vertrekjes, en er lag iets huise-lijk-gezelligs over de versleten meubeltjes, stoeltjes, karpetjes en 't kanten overgordijnen-spul.
Weer was ik in 'n alkoof met m'n bed aangeland. Ik keek op de voorkamer uit. Achter me zonde 'n vertrekje, licht en hel. Ik hoorde weer onder me 't binnen-huisleven van 'n rumoerige, druk-beklante kruideniers-winkel. Ik hoorde weer buren beneden, buren boven, buren aan twee kanten van 't alkoof. Vooral de buren onder hurrieden.
lederen avond hoorde ik aandachtloos ,,onze vaders" opdreunen, van kinders bij wien de vroomheid telkens opgepookt moest worden met vloeken en suggestieve scheldwoorden.
— Kom stommeling, godverdorrie, allo.. zeg op! Onse vader.... die....
— Onse vader, verklonk 't met slaperige gaap-stem,
— in den Hemel sijt!
— in den hemel sijt ! drenzigde weer uit andere geeuw-mondjes.
— Hier me schoene.. móeder.. hij hep se.. tusse.. se broek..
— O ! wat 'n goudief! moè !