3io
Maar één moment ondervond ik een ontzaglijke verrukking״
Bij 't instappen in 't rijtuig had ik door zwakte-emotie niets van wat er om mij heen geschiedde, gezien. Bovendien was ik zóó beheerscht door de idee te zullen instorten, dat elke verdere verwijdering van m'n bed, me de vreeselijkste en meest afgrijselijke angsten gaf.
Zus en dokter zaten bij me, maar ik zag hen niet. Ik voelde alleen de ,,stokken" in m'n ribben en tussehen m'n lichaam al-splinteren, wonden en scheuren. Ik scheen niet te kunnen bezwijmen, want weer bleef m'n verstand alles klaar-tastend toezien.
Toen kwam 't moment van uitstappen. Ik werd weer aan allen kant geholpen, en plots voelde ik, bewust, de versche, scherpe, maar koel-heerlijke, échte buitenlucht me den mond invloeien. Ik proefde die lucht, ik zoog ze in. Er doortrilde me iets van het straatleven, 't gerucht. Ik voelde me duizelen, maar heerlijk duizelen, en even, schoon ik mijn nek bijna niet opheffen kon, keek ik óp naar den hemel, wijd en machtig,, hoog en ver, zooals ik in een half jaar niet gezien had.
't Was 'n zalige emotie. M'n rug en verlamde nek pijnden in reaktie heviger, maar ik genoot, ik haalde adem zoo diep, als ik 't nooit gedaan had, en strompelde toen, door drie menschen opgeduwd en ondersteund, de lage trap naar de nieuwe kamer op.
In de Van Woustraat leefde ik nu weer.
Niets zag ik van de kamer-gezelligheid en 't mstig-innige om mij heen in 't eerst. Wel hoorde ik traag, dat mijn uitgever en vrienden me prachtige druiven, vruchten en bloemen gezonden hadden, maar ik onderging die genegenheid nog niet.
Ik lag omweend van een ontzettende ontroering.
Wat zou er hier met me gebeuren ? Ik dacht zoo hevig, zoo verlangend aan jou, Florence, zóó ontzaglijk, dat ik wenschte te sterven, als ik je niet dadelijk kon zien.
Ik verstamelde den dokter mijn verlangen, maar hij sprak me streng aan, en zei, dat 't mijn toestand veel, véél erger zou maken, als ik jou nü bij me had.