306
liggen in duister koortsgeschroei, en bij vlagen bewust te worden, dat 't groote, hevige, ontroering-brengende leven je vergeet ; je in alles toch deel te voelen van dat machtige leven, te hijgen naar zijn strijd en z'n schoonheids-bedwelming, maar ook wetend je vreeselijke inzinking en uitputting; te voelen, dat leven buiten, in z'n prachtgloei, en daar neer te liggen als 'n wezenlooze, ■— o dat is 'n smart, 'n vernedering, die men tot in zijn pijnigendste vernietiging moet hebben ondergaan, om er al haar diepte van te begrijpen.
Weken na weken, bleef ik weer stumperen in bed, en altijd bleef in me de hevige zwakte en benauwing.
'n Beetje later zat ik weer op, 'n paar uur. Ik voelde wel, dat ik niet lam was, maar toen ik, in den spiegel m'n gorende vermagering zag, en m'n hoofd in al martelender schroeven gekneld bleef, mijn zwakte nog zóó groot wist, dat ik geen twee woorden achtereen kon zeggen, zonk weer een trooste-looze melankolie over me uit.
Nu ik iets van jou hooren mócht, kwam er geen brief, en ik hunkerde naar wat woordjes. Ik vertrouwde Zus niet, den dokter niet. Ik dacht dat ze mij je brieven onthielden. En later bleek 't mij, dat ik goed gedacht had.
Als ik toen je brieven in handen had gekregen, de ontroering zou me psychisch heelemaal vernield hebben. Er waren uren dat ik zoo èrg met Zus te doen had. Ik voelde, hoe egoïstisch ik 't vrouwtje uit haar huishoudleven gerukt hield. Want ik wist, hoe innig-subtiel en goddelijk-gezellig zij met man en kind hun winteravonden onder het goud-ömgloeiende lamplicht doorleefden. In den stilte-ruisch van hun landelijk huisje ; hoe zij daar alles bepeinsde met haar rustige ziel, wetend dat éven van haar af, d'r goudharig kereltje lag te droomen. Uren op uren martelde me dat zelfverwijt. Ik wist 't wel, ik had 't gas,thuis in moeten gaan. Ik voelde me walgelijk-egoistisch, zooals alle erge zieken ook zijn.
Toch zei ik Zus niets van m'n droeve peinzen, wijl ik zag, met hoe diepe wijding ze haar taak doorvoerde, zonder ooit