305
te bedramatiseeren, öm te scheppen en te kneden in de materie met vingers, bevend van beheerschten hartstocht en liefde. O ! er eindelijk weer uit te storten je heele ziel, je diepste ver-teedering, je zaligheid en je begeerte, je verlangens hoog uit je binnenste op te spuiten tot 'n fonkel-fontein van vurige pracht.
En dan langzaam en bij brokken loslatend je innigste droomleven, en dan bouwen, bouwen met vaste, geweldige, scheppende handen.
Wat lag ik eenzaam voor het duisterende raam.
Om mij begon de vreemde avondstad te leven, goudmistig van café-licht en violet-vervagend de huizen, avondgroen-bleek en al vérder de lucht.
Florence, heb je me toen, in die schemeruren, niet hooren roepen ?
Maar ik wou den weedom uit me bannen, want ik moest léven, herstellen. Ik moest jou me kunnen geven, zooals ik was.
En om mij zag ik de avondstad duisteren, met z'n aan-zwartende menschjes, en 't Rembrandtplein in z'n goudmistig licht van overal. Ik zag 't winterplantsoen en de naakte boomen in 't al donkerder avondgroen.. . en heel zacht, met gebroken ziel, smeekte ik Zus, me maar naar de achterkamer te brengen....
Benauwingen en verstikkingen volgden elkaar sneller op. Dien nacht dacht Zus en verpleegster, dat ik 't niet tot den volgenden dag halen zou. Tweemaal kwam dokter nog. Dagen vergingen weer in koortsige verdooving en onbewustheid. Ik leefde, ademde, méér niet.
II.
Florence, hoe dorde m'n leven.
Daar te liggen, weggeduisterd in een ellendigen bedhoek, en te weten, dat buiten de dag glanst, 't licht leeft. Te weten, dat om je heen de stad d'r gewoel ronddruischt, dat je makkers strijden, je vrienden werken. O! gesmoord te
20