303
En m'n lieve vriend had daarom zoo fijntjes gelachen, wijl hij wist, dat ik 't zou kunnen.
Van dien gelukkigen dag af, zat ik 'n uur op, als mijn dokter kwam.
Ik kon 't nooit langer volhouden. En nooit wou hij hebben, dat ik tot 't uiterste uithield.
Hoe begon ik al de dingen rondom mij in de kamer nu heel anders te zien.
Maar toch waren de benauwingen telkens weer zoo hevig, dat ik langzamerhand aan dat dagelijksche uurtje-opzitten minder waarde ging hechten.
Want bij 't öp-zijn kreeg ik nu ook pas 't volle bewustzijn van m'n zwakte. Ik beefde en trilde bij eiken stap naar den stoel. En ieder keer weer zou ik ingestort zijn, als niet Zus en dokter me onder beide armen steunden.
Ik voelde 'n verpletterende zwaarte op me drukken, 'n vreeselijke vracht. Ik had aldoor neiging om iets van mijn rug te gooien, dat er niet zat. Ik begreep toen nog niet, dat m'n groote zwakke mij dat drukkingsgevoel gaf.
Mijn vriend sprak er met me over, en zei toen, dat zoo'n gevoel eerst heel langzaam weg zou gaan.
Nu en dan kreeg ik 'n heel sterke behoefte iets te hooren voorlezen. Maar mijn dokter verbood ten strengste zoo iets te doen.
Florence, was jij hier geweest, ik zou 't je afgesmeekt hebben ! Want de benauwingen, hoofdknellingen en stikkingen verminderden toch niet.
Het was honderd maal sterven op één dag. Toch vond dokter goed, dat ik na 't uurtje opzitten, eens wat in de voorkamer aan 't venster moest gaan liggen.
Ik lag aan den stillen kant van 't Rembrandtplein. Ik zag door 't winterplantsoen naar De Kroon, Mast en rondom, in 't gewirwar van trams, wagens, en gekrioel van menschen.