302
Florence ! Wat er daarna in me omging ! Heel de vreeselijke angst, de ontzettende druk van mijn verlammingsleven in de toekomst, was wèg !
Godlof ! Ik zou je weer kunnen zien, ik zou weer naast je kunnen gaan, als 'n gewoon mensch. Ik zou geen lammewagen meer noodig hebben, 't Zou niet altijd om me heen blijven ruiken naar de sombre jodium- en karbollucht. Ik zou weer alléén in de natuurpracht kunnen zwelgen. Groote God ! 't was om te duizelen van geluk, van vreugd, om te jubelen van her-levingsgevoel.
Eerst had ik gehoord, niets anders dan het somber-eentonige geklop van hamers op 'n trieste winterwerf, zooals je die zien kan, met d'r bange, melankolieke pracht aan de Handelskaai in Amsterdam. Dat gehamer, het menierood der scheepskielen, ,t roestijzer en 't rhytmus van den arbeid daar, in grauw winterweer, was nooit uit mijn ziel gegaan, m'n heele ziekte lang. Ik voelde m'n kaduuk leven zelf zóó geroest, zoo triest, zoo somber-kleurig. Nu zou ik de zon zien, en 't vuurgestraal van 't licht, 't felle zonnegoud en 't zachte glansgewapper van de Lente. Ik zou weer jou zien, naast je loopen. Ik hoorde het werfgchamer niet meer. Ik zag 't jubelblauw, eindelocs diep en ver in m'n verbeelden.
Florence, Florence, wat ik toen verweende aan geluk ! De heele wereld leek mij te zingen. Ik zag je al lachen, stil, je prachtglanzende glimlach. Ik zag gouden mist om je harenglans, en ik zag je neusje trillen, heel even en zoo verrukkelijk. En.... misschien, misschien zou ik weer mogen werken, werken aan mijn kunst, die mij in geluks-leven overrompelde. Ik zou 't leven en de kunst weer in z'n overweldigende éénheid ondergaan.
Dien dag, dien dag, Florence, was er alles jubel in me, 'n brokje van de zingende eeuwigheid die door mij heen trol:.
Om al mijn pijnen lachte ik nu. Ze waren me onverschillig.