299
dat Zus m'ri kamer inliep, ze mij iets vertelde, iets heel bizonders, in levendige verrukking van haar zoontje, richtte ik me in aandoening, plotseling öp, halfovereind, bleef 'n tien sekonden zitten, en viel toen weer met 'n smak achterover. 't Duizelde me voor oogen. Kon ik dan toch overeind ? Was ik dan nóg niet verlamd ? Ik had er nooit meer over durven denken, 'n Half uur lang bleef ik stom liggen. Een heerlijke jubel joeg door me heen.
Zus in haar extase, den brief over haar ventje lezend, had mijn overeind-zitten niet eens bemerkt.
Om twaalf uur 's middags kwam m'n dokter, gelijk met de verpleegster om Zus af te lossen.
Er moet in mijn oogen iets lievig-gelukkigs gevlamd hebben, want dadelijk zei m'n dokter, op me toestappende :
— Er is wat met je gebeurd, zeg op, wat is er vent ?
Stamelend van ontroering vertelde ik hem, dat ik overeind gezeten had, 'n tien tellen, dat ik dus toch niet heelemaal verlamd was.
Hij lachte gelukkig, schoon ik nu weer, in 't volle licht, z'n oogen heel onrustig achter z'n bril zag doffen, en keek in diepe wallen van uitspokende vermoeinis.
Hij onderzocht me weer heelemaal, liet me kleine beenoefeningen maken, die mij ontzaglijk afmatten maar hij lachte iijntjes. De knelschroef om mijn hoofd kneep m'n hersenspan soms zoo hevig dicht, dat ik dacht te sterven.
Er was een koortsige benauwing in me. Maar toch lag er iets heel rustigs in me te glimlachen, in hoop op herstel.
Florence, toen ik bemerkt had, dat ik wellicht kon beteren, snakte weer alles in me naar leven en scheppen, arbeiden.
Ik lag den ganschen dag in een zacht-schroeiende vreugdekoorts, sprak toch geen stom woord.
Zus had met dokter wat verfluisterd, keek me nu en dan heel innig en blij aan.
Den volgenden dag probeerde ik me weer overeind te halen,