298
Ik had er zooveel van mijn innigste liefdes, en zooveel er van wisselde in mijn eigen geest. Ik had er de mystieken, alleen de grootsten onder de grooten, telkens op een ander plan van zieleleven mij aansprekend. Ik had er den spot, de satire, den haai:, de zegening, de liefde, de godsverrukking ; de mystieke en de rationeele stemmen. Ik had er de hoogste wetenschap en de menschelijke wijsheid bijeen.
Schopenhauer in zijn romantische filosofie mocht voor mij nurksen tusschen Böhme en Spinoza in. O ! ik had er de deugden en de mensch-dierlijkheden, het satanisme en de ascese bijéén.
Ik had er de stemmen uit de middeleeuwen, de Budha en de Kristus, en 't nieuwe Geluid van dezen Tijd !
Ik had er de groote wereldtragedie van mensch-ondergang en menscli-opkomst, en 't was er mijn wereld, mijn leed, mijn vreugd ; mijn innigste en mijn diepste ontroeringen.
Ik had ze lief mijn boeken. Ik kende elk geurtje er aan, ik wist elk vouwtje er in, elk rimpeltje, elk vlekje. En als ik na zwerftochten van maanden door de steden en 't land, ver van hun af geweest was, dan leek mij een terugkeer naar mijn stille kamer, met m'n wachtende boeken-zielen, een opperste zaligheid ; een stille verrukking, die alles overtrof.
O ! die boekenverkoop heeft mij bang-verweende nachten gegeven. In mij bleef alleen nog stom geween van een snikkende ziel. Eindelijk kwam de beheersching weer. Ik drong m'n droefnis terug, diep, heel diep in m'n brandend hart, dat niemand zou zien, wat er in me schreide.
Op 'n middag Florence, gebeurde er voor mij iets als :n wonder.
't Lijkt zoo gewoon voor ieder wellicht, die niet weet, wat vreeselijk ziek-zijn zeggen wil, wat emoties ze geeft, maar voor mij was 't toch 'n wonder.
Mijn verlammingsgevoel na 't eenige poginkje tot opstaan, had ik al zóó diep ingeleefd, dat een wijziging in mijn toestand me onmogelijk scheen. Op 'n morgen,