296
Die boeken-passie is later aangegroeid, en nóg weet ik niets liever dan 't hebben van boeken, boeken ten minste waarvan je houdt.
Vóór m'n ziekte had ik 'n mooie kollektie bijéén, allemaal mooie restjes van vorige verzamelingen. Maar eindelijk móest ik betalen. M'n ziekte was oorzaak dat ik geen geld verdiende, en de boekhandelaar, een pasbeginnend koopman, kon niet langer wachten. Het zou hem den grond ingeboord hebben, als er niet 't grootste gedeelte, of alles kwam.
Hij leefde mee als vriend. Zus en dokter vertelden hem, dat er geen geld was, dat hij maar de heele verzameling moest van de hand doen.
Heel omzichtig werd mij alles meegedeeld, maar m'n droefnis was ontzettend.
Er waren boeken bij, waar ik heele nachten mee had saam-geleefd, in zaligste verrukking en droom. Werken die ik koesteren, streelen kon als meisjeswangentjes; boeken, die ik liefhad als lévende wezens.
Er waren boeken bij, die ik minde als jonge meisjes in zomer-tuinen, mij toelachend onder hun Kate-Greeneway-hoeden, klaprozerig-rood ge-jurkt en sliertig om-strikt de fijne leestjes. Er waren bij, die ik als 'n Buddha vereerde in den geweldigen ernst van hun klaren geest. Er waren bij, die in hun rimpelige oudheid mij de trillende ontroeringen gaven van léven, dat ik met mijn leven had aangeraakt, oude werken, vol van stem-gekreun en smartgeklaag ; vol grootsch wee van den dooven Beethoven, den bloedenden Dante, Dante. met dat uitgemergeld smartehoofd, omstrakt van peins en teedre ontzetting.
Er waren bij, blankbloemend als bruidjes in 'n rozenhof, sluimerend op mosgrond, en met zachte ademhaaltjes, zilverend en blond, den tijd in droomen omspelend.
Florence, wat 'n zaligheid in mijn leege kamer die boeken״ gezichten voor mij waren !
Ze hadden strakke, weeke, hartstochtelijke en droomfijnc monden. Ze hadden droomrige, vonkstralende, spottende