291
wijst hun, waar de zon aan 't geluksfirmament komt te staan, als ze zich bewust worden.
Ik heb je al gezegd, dat Marx een prachtbouwer is, dat ik hem, op een ander plan van psychisch leven natuurlijk, bewonder als Rembrandt en Beethoven en Shakespeare.
Hij heeft gloeiend levenskoloriet over zijn z.g. nuchterste stellingen uitgestort. Hij is zwaar, log, maar hevig en monumentaal van verstand, denken en deduktief begrip.
Zoo iemand moét z'n knappe volgers en toelichtende populariseer ders hebben.
Van Marx kan 't mij niet schelen, als ik zou hooren, dat hij in z'n leven de mooiste zielen onder de kristelijke kunstenaars niet snapte, 't Laat mij koud, of hij Novalis doorvoelde, Zola, of Rabelais, of Rembrandt. Ik zou van hém dulden dat hij, — indien hij hem had künnen kennen — b.v. Böhme uitlachte of alle roman- en verskunst, peuterijtjes en niemen-dalligheidjes noemde, — wat niet waar is, want hij minde Balzac en Shakespeare !
Ik zou voor me zelf weten, dat hij gewrocht heeft, en dat hij de groote en machtige levenswekker is, van het internationale proletariaat.
Dat geeft 'n aandoening van zeer hooge mènschelijke schoonheid.
Maar z'n muffe napraters, hier in Holland en vele in Duitsch-land, enkele héél goede en bescheiden werkers niet te na gesproken, met verstard intellektualisme en dood als arbeidend scheppende kunstenaars, zijn te behoon-schateren, als ze met marxistische terminologie en leuterig herkauw ook de Schoonheid en de kunst te lijf gaan.
Want ze verminken er hun eigen leven mee en van degenen, die naar hun luisteren.
Ik zal je 'r niet meer van zeggen Florence, omdat ik toch later in een van mijn werken daar afzonderlijk op terug kom.
Maar geloof me, lieve, dat alle persoons sym- of antipathie vér van me is.