285
Maar de schoonheidsontroering is je dood, want nu ga je je zwak voelen in bewondering.
Je voelt den hemelgloed op je gezicht en je handen aan-hitten en plots sta je versteend stom, voor den troon van God !
Dat is erger, bevender, heviger, dan de huiverendste demo-niek van 'n Dantesken hellen-kring.
Zulke droomen van duizelingwekkende ruimten, had ik telkens !
Soms dramatiseerde die droomendemon in mij zoo prachtig, dat ik lag te snikken over ontroeringen, die ik zelf had opgeroepen, waarvan ik wist, dat ze me niet mochten pakken.
Dan lieve, die roode atmosfeer van angst, waarin ik ademde, als ik wakker werd.
En stel je eens voor Florence, dat enkele, ontzettende oogen-blik, waarop ik neergetuimeld werd naar de aarde, in één toor-nigen armzwaai van God, 't moment, dat Hij mij opnam en door 't brandende nachtheelal slingerde !
Ik stortte, stortte !
'n Gevoel, alsof je de buik opengesneden wordt, je hart, je nieren uitgerukt.
O ! die stortval door den nacht, en achter me aan de vonk-sterren en de angst voor eigen duivelsche brandstichting.
Toen ik door den laagsten vuurkring heenviel, geschroeid en verkoold, schrok ik wakker ; maar hoe !
En zoo droomde ik iederen nacht, grootsch met goddelijke prospekten, met verrukkingen van plastiek, kleur en visioen, maar altijd eindigend in 'n helsche tragedie.
Dit was nu de straf van m'n overwerking. Op den dag de benauwingen, half stikkend, toch scherp-normaal denkend, voelend en ontledend, 's nachts, de helsche muiterij van m'n droomen, die mijn brein pijnigden, m'n lichaam geeselden.
Maar nu iets van m'n moed.
Ja lieve, m'n moed! Want vergeet niet, dat zeker de meeste