284
schep, een schep zoo groot, als 'n ijsbreker, in je handen, en voel je den drang, wonderen te doen.
Je hebt je in je woesten opstijg tot de hemelen voelen groeien tot 'n oppermachtig wezen, 'n wezen, zoo groot en hevig, dat hij de wolken verbrokkelt, of doorboort.
Nu neem je den schep en zwaai je uit een ontzaglijk wijde luchtzee, rond, al rond ; en zie, langs, onder, boven je, zaai je sterren, goudkleurige werelden van licht en gloed.
Je zaait sterren rood en vlam-flikkerend, sterren, zilverend en purperend ; je zaait sterren, goudvurige en groenvurige en je doorzaait de nachttransen rond, wijd en almachtig. En je schep strooit, strooit ! In je siddert, bang, verbazing en ontzag. Je weet zelf niet van waar 't komt. En je ziet, dat 't heele firmament van uit z'n diepst azuur gaat schitteren in 'n woesten kleurigen gloed.
Je gaat door, in goddelijken waanzin. Telkens steek je nieuwe werelden aan, rondom je zwaaiende handen en armen. Een woeste goudgloed komt er branden onder je voeten, die staan gedragen in 't ledige.
Je voelt, zwellender van verrukking, dat je 't Heelal volstort met nieuwe lichtende werelden, en je zaait, zaait !
Nu voel je plots, dat je de wereld in brand gelaaid hebt. Je huivert in de vrees God te ontmoeten, die naar je gekeken heeft, je liet begaan in de woeste vernieling van z'n al-wijd nachtfirmament.
Je ziet, dat je gezaaide sterren hangen blijven in de hemelen, en in dolleren angst blijft je schep doorzaaien al heviger en in wijder kring. De eerst-gestrooide starren zakken, lager, lager, 't Gloeit nu zóó om je voeten, je handen, je lijf, dat je tusschen het staartslingerend sterrevuur in één gekronkel en geweb van glanzen duizelt.
Je voelt je wankelen, 't Gezicht op het in brand gelaaid firmament geeft je de heerlijkste verrukking. Zoo'n Heelal, met 't vuur van je uitgezaaide sterren, had je je niet kunnen voorstellen, zoo'n ontzettend geschitter en gevonk rondom.