282
immens lijkt. Wat mèt je gebeurt, voél je als normaal, en de meest diabolieke ontzetting der dingen werkt daardoor nog pijnlijker op je bewustzijn in.
Je staat in 'n tijdkring, die eindeloos de gebeurtenissen verlengt, en je verbeelding schept met 'n bovenzinlijke macht. Je voelt je God, en daar midden in, midden in dat opperste, toch angstige bewustzijn, staat 't kleine menschje in je te klappertanden van benauwing.
De verschrikkingen van 'n rood-moordenden revolutienacht gaan om je ! Je ziet 't bloed lekken uit de lucht, 't drupt öp je hangt aan je met warmlamv gezuig. Overal liggen lijken, dwars door de straten, over de goten, achter barrikades ! Maar je ziet nog realiteit.
Plots komt de horlepijp voor je scheppende verbeelding en smakt voor 'n poosje je lieele vreeslijke realiteit door elkaar !
De lijken ontvleezen, staan öp als geraamten, bang en zwart, verklakkeren 'n doodendans.
Er schuifelen heksen aan in wijden kring en Satan op den achtergrond, bloedend in z'n roode gestalte, laat 'n storm aanhuilen, die de huizen en de straten dooréén warrelt.
Satan leidt de orgiën van z'n heksen en geraamten.—
De nacht is zwart, als loerde je in 'n hellepoort !
Plots begint, tusschen orkanisch gebulder, 't overal om je heen, zacht-zwammig te flikkeren. Fosforische gloed kruipt op je aan, de heksentronies in moordrood aanlichtend. Je ziet geraamten, met fosfor-oogen in de dier-holten grijnzend, dansen met de hekswijven, die rondzwieren in de lucht, boven de neer-gepuinde huizen, wier puien in al enger kring je omcirkelen.
Uit duistere straathoeken stormen nieuwe troepen aan en Satansstem klinkt als de storm, huilend en schaterend woest dooréén.
Soms wordt 't plots doodstil, door een gebaar van den roo״ den gast.
Dan neuriët z'n helsche mond en er siddert stilte en geheimenis tusschen mijn doodsmuren.
O ! Florence, de droomen, die ik doorleefde, mag ik, kan