277
Nu schreeuwde Zus van de trap terug, herhaalde alles weer, dat de heele boel van heel-boven lcwam.
Eindelijk ontwaakten de verhuur-meneer en de verhuur-zoons van den verhuur-meneer met de dienstmeid van de ver-huur-juffrouw uit hun soezerige verbazing. Ze onderzochten al de pijpen en kranen van de waterleiding, maar er was niets gesprongen.
Plots baste de verhuur-meneer van héél boven, plechtelijk-ontdaan op de trap, dat 'n verschrikkelijke dooi door 't heele huis stroomde en afmodderde langs de snijingen, door de dakpannen en spleten.
De kommesaals van achter, opzij, schuin-rechts en schuin-links, vóór-achter, en achter-vóór, achter-achter, en vóór-vóór, gromden öp, verlolden plots 't ongeluk tot 'n nachtpretje dansten in hun negligé door de gangen, omstoeideu de dienstmeid, die in d׳r wit onderrokje en loshangend haar, met bloote borst, radeloos bij ons in- en uitstormde, niet wetend waar ze 't eerst de dweil op moest leggen.
Haar schrikgebaren en wanhoopsgeluiden verklonken in jammerduo met de verhuur-juffrouw en de verhuur-dochter, en de kommesaals sprongen bij-één, kankaneerden in de gang, vergaten den nacht en den zieke in een stuipige opflikkering van lol.
V.
Zus had zich wat aangekleed en gegrepen wat er voor de hand kwam om 't gedrup en geklikklak van 't doorweekte plafond en de muren op te vangen.
Verhuur-meneer, berooid, met nijdig slaapbalckes, z'n slaapmuts als bezwijmde droomvanger half op den katterigen kop, stormde in en uit met z'n zoons. Want 't was hun boel, die ook bij ons verzoop !
't Werd 'n komisch en belachelijk angstig-druk aangesjouw van allerlei dingen om overal maar 't gestroom te vangen. Maar telkens begon 't uit nieuwe hoeken af te gieten. Zus'