275
Ik smeekte ergens heen, dat ik toch maar niet dood moest gaan, ik smeekte zonder besef naar wien m'n gesmeek verklonk.
Maar ik werd rustiger ! De angst van brand om-mij-heen liet los, wurgde me niet meer zoo. Ik ging kalmer dan ik gedacht had den nacht in, al schrok ik telkens wakker wanneer de vale klauwen van den nachtmerrie-Satan m'n keel dicht-wurgden, me stikken deden van doodsbenauwing.
IV.
Aan 't einde van de week gebeurde er nog iets in dat vreemde huis, dat me ontstelde.
Het had eenige dagen achtereen zwaar gesneeuwd.
Zus kwam telkens onkenbaar wit-bevlokt van de straat, vóór m'n bed. Mijn dokter verscheen met z'n wenkbrauwen oversneeuwd, z'n bril, handen en neus nat. Alles om heen op den dag lag in een donzige demping. Brokken daken van vèr gezien, takken en vensterbanken, blankten in sneeuwige stilte.
't Bleef doörvlokken, dagen en dagen.
Uit mijn bed zag ik de droeve lucht, grimmig grauw en staarde ik in den vlokkenwemel, die mij verblindde. Toch keek ik telkens en telkens weer.
Plots, na eenige dagen begon 't in den avond, hard te dooien.
Tegen half-drie in den nacht lag 't huis met z'n kommesaals boven, beneden, opzij, achter, onder,.... eindelijk in rust. Ik voelde me zelf ook koortsig sluimeren, toen opééns de stem van 't moedertje onder me opklonk, 't huilende kind schreeuwde, de grom van den Oude door 't plafond heenbromde ; of we niet dadelijk konden stoppen, want de wieg van 't kind liep vól, en de heele goeie kamer ónder !
Zus werd door 't stemgerucht half wakker, begreep traag wat er gebeurde. Ook de verpleegster die ingedut was, schrok op. Ik hoorde wel, in de angst-scheemrige kamer waar 't nachtpitje rood-duisterig vervlamde, de ontsteltenisstem van 't moedertje, maar in m'n sluimrige loomheid begreep ik niet goed wat er te stoppen viel.