274
niet wat 't zeggen wil als je dan plots, je-zelf en anderen in gevaar wetend, voelt geen vin te kunnen verroeren.
Dat is 'n marteling van de pijnbank, van inkwisitieachtig demonisme !
De angst laaide m'n verbeelding aan, belichtte in gloei-gloed alle fantastische mogelijkheden. Ik wist dat door 't gansche huis lampen brandden, nergens gas.
Ik wist dat ik twee ontzaglijk nauwe en stikduistere trappen opgesjouwd was destijds door 'n paar kerels, en dat er, zooals Zus wel eens vertelde, 'n smerig wankel petroleumlampje brandde in de gang, op 'n plankje bij den wentel.
Wat zou Zus kunnen doen, met 'n lammen, zieken kerel op die duistere trap als er brand kwam ?
Wie zou om mij denken ? Ieder zou zich-zelf helpen!
Alleen Zus zou me misschien meesleuren tot ik door de vlammen achterna gekropen, half in den rook al stikte.
Ik voelde den smeulstank rondom me, den heeten damp in me Iongen. En elk laat-avondgerucht in 't huis, tusschen 't geraas van den tingeltangel deed me rillen en mijn hart als stilstaan.
Ik weet wel Florence, dat je dit nuchter lezend, in overdreven hallucinatie zult geleefd vinden ! Maar doordring dan de sensatie van mijn verlammingsgevoel, de onrustige en gejaagde herrie van al die personen door 't heele huis, tot 's nachts twee uur, met 't bewustzijn dat daar overal lampen brandden, en zie mijn geteisterd lijf, voel de angsten van dat lamme leven !
Tegen tien uur in den avond kwam eindelijk het mannekoor achter in de tuinen. De repetitiën begonnen, en den nacht vervulde 't van zijn prachtig gezang.
Dat gaf me weer wat rust en verzoening.
Ik herademde. Ik wist niet wie daar zongen, waar ze zongen. Maar het zwelde aan, van heel ver, 't donker koor, en 't droeg mij weer mee, ontroerde me hevig.... Ik zag jou weer Florence, jou en al wat me heerlijk en wonder mooi vasthield aan 't leven.