273
me prachtige trossen druiven liet zien die ze van mijn uitgever voor mij gekregen had.
Plotseling, éven vóór dat 't Café-chantant-rumoer achter den muur zou beginnen, hooren we, boven in de keuken, gegier, angstig gegil en ontstelden krijsch van vrouwestemmen.
Tk sidderde.
Zus geschrikt, stelde me toch gerust, wenkte de verpleegster om aan m'n bed te blijven, en holde naar boven. Ik hoorde lawaai, heen en weer-gestorm en geroep op de trap, en ik rook brandlucht. Zus bleef weg, 't gestommel en 't verwarde vrouw-gekrijsch hurriede sterker op, en 't gebeuk, gerinkink van emmers op den vloer, boven m'n hoofd maakte me stervend van ongerustheid.
Had ik Zus maar terug zien komen ! Maar ze bleef weg ! Ik begreep er niets meer van. Visioensnel sloegen de angsten voorbij m'n koortsige oogen, en als verzwaveld in een rookenden nevel van wilde gejaagdheid. Ik wou er uit, bij Zus, en ik voelde me vastgesnoerd.
Eindelijk kwam Zus de deur in, bleek, ontsteld maar met een tot rustigheid gedwongen gezicht.
— Alweer voorbij David, glimlachte ze er bij, kalmeerend,. . die Riek ! is dat 'n mensch ! Woest als 'n wilde ! 't petroleumstel was 't. Maar de jonges hebben 't dadelijk gebluscht. Alleen 'n stuk van de bank en haar boezelaar zijn verbrand.
Ik zei geen woord, dol gelukkig dat ik Zus weer bij me had.
Maar de groote schrik bleef in me na-staren !
'n Vreeselijke nacht, met van helsche nachtmerries doorspookte droomen, ging over me heen. M'n verbeelding was weer aan 't werken, verschrompelde m'n wil tot 'n kruipend laf nietigheid je !
Ik doorleefde weer wat er met me gebeuren ging als er in dat huis eens in brand zou uitvlammen !
Lieve ! de doodsangsten die ik toén uitstond!
Je weet niet wat 't zeggen wil, als je je heele leven in volle kracht en zekerheid over je eigen lichaam hebt kunnen heer-schen, nooit van iemand afhankelijk je voelde, — je weet
18