277
licht, zooals dat over de boomen, m'n kamer kwam inglanzen.
Zus had 't raam open gezet, na me eerst goed ingestopt te hebben. Ik proefde iets goddelijks zilts en frisch op de tong, van de instroomende koue lucht.
Heel zonnig-langzaam overkroop 't licht, het nikkelen koffie-stel op de tafel. Ik voelde me gelukkig en innig-verrustend dat ik zoo iets ten minste nog zien kon.
Zus zat te penkrassen, 'n briefje te schrijven aan 'r man en 'r heerlijk ventje ! De zon kwam ook al woelen en goudkroezelen in d'r blonde haar, en vlak voor d'r handen stond nu 't heele nikkelen stilleventje in zilverend geglans omlaaid.
De kamer zonnigde en koelde. Ik lag roerloos in bed, de dingen bestarend met dat smartelijke weemoedsgevoel, alsof alles voor 't laatst door me gezien werd.
II.
Florence, hoe snakte ik toen naar je bijzijn.
Geloof niet, dat er zelf-deernis zat in mijn verlangen !
Mijn dokter, Zus, verpleegster, allen doorleefden mèt mij den doodsernst van mijn toestand en nu nog zegt Zus, dat mijn dokter altijd maar verbluft had gestaan dat ik, toen zóó dicht bij den dood, zoo klaar en rustig bleef doorpeinzen over allerlei levenskwesties, en m'n fantasieën weefde in 't gedempt-kleurig duister van m'n laatste uren.
Soms lag ik 'n heelen dag te staren op 'n matglazen deur met blommetjeswerk, die door 't alkoof op de voorkamer uitkeek.
Door de glasdeur viel 't daglicht, terwijl de houten omlijsting donkerde in de alkoof.
Nu zag ik telkens schaduwen van menschenhoofden, bezige lijven en armen voorbijschimmen, en een prachtig-geheimvol groeien van levende dingen achter het doffe matglas.
In de kamer om mij, zag ik tegen schemer, den mysterieuzen sluip van 't licht, hoorde ik de stilte z'n zachten adem weven