269
of hij zich mei mij niet veel te sterk vermoeid heeft! Daar wilde hij zelf niets van weten !
Ook ik hield veel van mijn ergste benauwingen in me, maar hij liep nog, ging door voor gezond.
'n Paar dagen later kwam hij uitgeslapen en met vervroolijkte oogen weer voor m'n bed staan. Dan was z'n stem weer juichend, vertelde hij dat ie 'n heerlijken nacht aan één stuk doorgemaft had, zich heelemaal weer verfrischt voelde.
Z'n fijne rabbijnkop kreeg dan 'n innig-humoristischen trek, z'n oogen glansden achter z'n brilvonkering.
Op 'n morgen kwam hij de kamer in, vroolijk, vol stoeienden levenslust.
— Vandaag zul je 'r eens uit vent, dat wil ik nou, riep hij me toe.
Ik schrok.
In drie maanden had ik geen beweging bijna kunnen maken, 't Eten en drinken werd me ingegeven. Probeerde ik me soms overeind te halen dan zwol m'n kop als 'n boei, hijgde ik, zonder 'n centimeter van de kussens af te komen.
Ik schrok hevig Florence !
Maar nu hij 't, zonder voorbereiding zoo plots zei, rilde ik van ontroering en geluk dat 't misschien mogelijk was.
Als je toen had kunnen zien wat er in me gebeurde ! 'n Opstanding van geloof in herstel!
Die diepste ontroeringen toen, zijn niet te zeggen.
Hij wilde, wilde dat ik overeind kwam. En ik trok me overeind. Vier sekonden bleef ik rechtop zitten, bonkte toen weer achterover, doodop en stom van aandoening !
Wat me beheerschte was 't schokkende, groote gevoel dat ik dan nog niet heelemaal verlamd was, nu ik me toch plots overeind had geheschen en door heel mijn uitgeput lichaam den krachtstroom had voelen prikkelen.
Zus was er bleek van. Dokter lachte en z'n oogen vonkten.
— Morgen gaan we verder, lachte hij.
Maar den volgenden dag was 't weer totaal mis ! Ik probeerde, maar ik lag als met gewichten omstapeld en overal door mijn