achttiende hoofdstuk.
Het doormijmeren van mijn jeugdleven maakte me moe, maar gaf me toch 'n milde ontroering. Ik wilde weer heelemaal terugkomen tot m'n krachtige berusting, en ik wilde de hamering van mijn hart niet meer hooren.
Dagen aan dagen lag ik neer. Ik begon te wennen aan 't rusten en nu en dan mocht er iemand bij me, heel zacht en emotieloos spreken.
De komst van mijn dokter was me altijd een groot geluk. Ik voelde hem zoo waar, zoo echt. Toch schrok ik telkens als ik hem zag. Hij leek grauw-bleek met onrustige oogen.
Lieve, er bekroop me een ontzettende, egoïstische angst die heelemaal uit m'n ziektetoestand groeide. Als hèm eens wat gebeurde, dacht ik, dan is 't óók met mij gedaan.
Want niemand die mij zóó begreep als hij.
Eens kwam hij oploopen, heelemaal vernietigd ! Ik kon m'n onrust niet langer bij mij houden. Ik vroeg wat hem scheelde, en heel ironisch antwoordde hij : ik heb te veel, veel te veel.
Toen hoorde ik hoe hij zelf aan vreeselijke slapeloosheid leed ; dat hij in 'n ideeënjacht op z'n kussens al 't overdag doorleefde, weer uitwerkte, precies als ik, maar gevaarlijker voor hem, wijl hij veel zwakker van gestel was. Er gingen weken om dat hij om vijf uur 's morgens pas insliep na 'n harden dag arbeid, en van elf uur wakker had gelegen.
Als ik z'n mooie stem, dat allemaal aan bed hoorde zeggen, stroef, zonder veel bewogenheid, dan pijnt 't nog even sterk door mij heen Florence ; vraag ik altijd mezelf onrustig af,