2Ó4
je zelf weet lieve, heb ik mijn innigste vrienden onder de kristenen, en ben jij, jij mijn allerliefste niet zelve een' geboren katholiek ? Ik zie, als de hevigste anti-semiet, de gebreker. der joden, die groot en veel zijn ; toch volstrekt niet erger en meer dan van and're volkeren, maar ik zie ze objektief en in verband met hun heerlijke deugden. Voor mij bestaat er geen aartje verschil tusschen God-schepselen, al zie ik in ieder de werking der raseigenschappen.
Maar erkend dient te worden dat uit 't ras, mannen zijn gegroeid onder de Joden die tot de hoogste hoogten van 't denken zijn gegaan, in de grootste en heiligste sentimenten zijn doorgedrongen, tot de innigste en soberste levenswijsheid zijn genaderd.
Heeft 't ras niet Spinoza gebaard, de Bouddha van het Westen ? Met 'n koele analyse toch doorsidderd van een dichterlijke vroomheid en ingetogen levenspracht ?
Heeft 't ras niet 't zanggenie Heine gebaard, en den machtigen ontleder en bouwer Marx ?
Heeft 't ras niet vooral de goddelijke teederheid, van 't sublieme droommensch Jezus gekweekt ? Want z'n levens-melk zoog hij uit 't ras, dat mèt de Heidenen hem kruisigden.
Ach kind, liefste ! Mijn eerbied voor de talmudisten was als jongen van een onzegbare pieteit. Nog heel anders dan als kromruggen, koek-zabbelende en pruimpjes-kauwende Ghetto-rebbetjes stonden ze voor mij, de verheven kabbalisten en kenners der geheime Mischna en Gemara. Ik zag ze omstraald van fijnzinnige levenswijsheid, Joodsche heiligen wier zielen altijd vol wonderen bloeiden. Ik zag ze staan fier, met hun prachtwitte baarden waarin de legende sneeuwde. Ik zag ze met hun kommervolle peinsgezichten, waarop smart groeven had neergewerkt, en ik zag hun biddende handen tasten en zoeken naar de verdwenen tenten der samenkomsten, naar de tenten der getuigenissen.
O lieve ! Hoe zocht ik de wonderen van het heilige land, met, van diep begeeren gloeiende oogen terug, op de scheme-