2Ö5
rende muren der avond-synagoge, en hoe zag ik met bange genegenheid neer op de Joodsche zangers en hooge kerkgangers, verwalmd tusschen de bleeke kaarsenschijnsels, sc.himmend in lange bidkleeden en rabbijnsche priesterlijn.
X.
Neen, toén kon ik niet vermoeden dat ik zooveel onder hen, als grove huichelaars, lage vervalschers van groot levensgeluk en walgelijke egoïsten, alleen zorgend voor eigen heil, zou leeren zien. En ook niet dat de Buddha's mij veel grooter cn heiliger zouden worden, veel ontzaglijker menschen.
Ik smeek je lieve, alles te zien in den zielestaat van m'n jongensleven.
Niets, niets wil ik in me vermooien. Ik was tusschen alles 'n rakker, 'n kwajongen, 'n stommeling, en 'n hater van studiedorheid.
Maar ik had 'n ziel die vol stond van heerlijk innigst-ge-beuren !
Ik was 'n droomertje, 'n fantast en ik moet je dat ongeschonden schetsen.
Want in mij is 't kind niet gestorven, omdat mijn ontroeringen voor alle schoonheid nog precies zóó in me leven.
Ik heb dat juist zoo sterk gevoeld, toen ik mijn nachtstudies begon op m'n zestiende tot m'n zes en twintigste jaar, tot éven voor m'n ziekte.
Ik heb dat gevoeld toen ik mij geheel zonder leiding, met eigen intuïtie tot de Indische fantasie-wereld bracht. Met nog hoogere verrukking stond ik midden in 't heiligste gedachtebouwsel en de droomwereld der Aziatische volkeren, de Ramayana. Ik doordrong de ascese, en al dat zedeleven daar nog dieper dan mijn Hebreeuwsche leven.
Ik begon te doorvoelen den algemeen-menschelijken groei der tragiek en vreugde, onder de menschen van alle wereld-hoeken.