2Ö2
de goudlicht uitdampende kusten in mijn verbeelden. Ik zie nog duizenderlei schepselen uit dat bijbelepos voor me heengaan. Met één greep zou ik ze groepeeren kunnen. En ik ken hun ziel en hun driften, hun val en hun ondergang. Maar ik leef er niet meer in.
Onze tijd is van nog veel grootscher gebeuren nu de onteigenden elkaar gaan zien als broeders.
Maar hoeveel smartedagen zijn er niet om mij heen gesom-berd Florence, eer ik de diepe harmonie van ons innigst wezen met de schijnbaar grillige zwenkingen van het almachtige Leven doortastte, in al zijn verstommende pracht, geweldigheid en tragiek ?
Eer ik verzoening in mij kreeg na al dat smartbesef, dien smaad, schande en vertrapping.
Want ook in mijn ziekte lieve, kwam dat ongeschonden jeugdleven weer in me op, voelde ik hevige pijn bij 't herdenken van al 't smadelijke dat zooveel Joden nog ondergaan, als ze zich niet er boven verheffen. Want dat kan alleen als ze zich heelemaal opgelost voelen in 't ideaal van 't algemeen menschelijke, in den grootschen strijd van het socialisme.
Toch kwam 't pijnbesef nog in mijn ziekte terug, wijl ik, gehéél levende buiten de sfeer der traditioneel- of liberaal-joodsche wereldbeschouwing, door mijn uiterlijk aanzijn tot slachtoffer van een kleinen haat werd gemaakt.
En ook toen nog was ik pijnlijk-gevoelig voor smaad en minachting, zooals ik dat even sterk had als kind.
Ik was Jood, Jood op school. Mijn zwarte haren, mijn gloed-donkre oogen vol onrust en hoog begeeren, m'n beweeglijke lenigheid, melancholie en toch levendige passie doorbrandde al m'n handelingen. Ik had lief, hevig, hartstochtelijk, maar ik kon even hevig haten en betoornen ieder die mij noodeloos krenkte.
Als jongetje wou ik alles meedoen. Ik was goed, heel schuchter en heel inschikkelijk. In den grond voelde ik nooit eenig