2ÖI
zijn ondergang, verallegoriseerde ik de tragiek van zijn gods-menschelijkheid.
Veel later zag ik eerst Joden en Kristenen, heidenen, als schepselen van een kosmische kracht, doorvoelde en leerde ik de goddelijkheid van elk natuurding in z'n grootsche objekti-vaties kennen.
Ik begreep hen die 't leven vloekten, zijn smart en zijn schande, en ik begreep hen die 't leven zegenden, zijn geweldige schoonheid en bloemkleurige weelde bezongen.
IX.
Toen juist schokte 't zoo dikwijls in me óp Florence, den vurigsten drang om eens in groote drama's te geven het leven der oude Joden, hun stad Jeruzalem, hun land.
Maar ik wou geen begin maken of ik moest weten voor me zelf dat ze door mij met immens levensgevoel gebouwd konden worden. Er moest 'n ontembare fantasie en menschtragiek doorheen stormen. Het moest uitgebeiteld worden met een allerontzaglijkst titanisch vermogen. Met de passie van 'n Michel-Angelo, de teederheid van 'n Giotto, de demonische levensdoordringing van 'n Da Vinei, met de koloristische tooverij van Rembrandt. Want zij gaven zich allen aan dat epos over, met heel hun ziel en zaligheid.
Ik wachtte, maar inmiddels ben ik geheel geestelijk vergroeid tegenover die vroegere levensidealen komen te staan, zie ik hun pracht, hun tragedie en komedie, als behoorend aan voorbijgegane tijden.
Zeker lieve, lang, heel lang nog, hoorde ik de fonteinen zingen in Galilea, en zag ik de pratende vrouwen 't klaterende schuim-water opscheppen in haar glanzende kruiken.
Zeker lieve, heel lang zag ik vóór mij den groei van Jezus in de vunzige woning van Jozef, en lang nog bleef in me het vreeselijk verval der Joden toen om hèm.
Ik heb nog de woestijnen, de bergen, de vruchten, gouden appels tegen zonnezengend blauw, de laaiende horizons, en