255
Waak op, waak op* sta op Jeruzalem!
Gij die gedronken hebt van de hand des Heeren
den beker zijner grimmigheid: den droesem
van den beker der zwijmeling hebt gij gedronken;
ja uitgezogen!
Het jongetje luisterde :
Daarom hoort nu dit, gij bedrukte! en gij dronken, maar niet van wijn.
Florence, al die profeten heb ik toén al gestalten gegeven !
Jezaja was mij als 'n heilige oven waarin een onbluschbare levensvlam gloeide. Jezaja was mij als vuur zoo hevig, zoo fel en zoo zwierig in de pracht van zijn vermaningen. Hij stormde zoo hoog tegen mij aan, uit 'n hemel van verblindend licht. Ik zag mijn volk aan zijn voeten krioelen, klein als silhouetjes, menschjes van 'n toren gezien, 't Was mij alles zoo onbewust, maar nü, nü juist voel ik hoe hij voor mij leefde als de dichter van een gouden zegening, een gloeiende verbijstering. Zijn passie stormde en laaide, maar z'n poëzie wiekte er 't goudstof der legende overheen. En verstond ik niet Ezechiel, z'n stem en z'n ziel ?
״En alle vorsten der zee zullen afdalen van hunne tronen en hunne mantels van zich doen en hunne gestikte kleederen uittrekken ; met sidderingen zullen zij bekleed worden, op de aarde zullen zij nederzitten en t'elken oogenblik sidderen en over u ontzet zijn."•
In de volheid der breede visioenen volgde ik hun woorden met stijgende ontroering.
״Zoo zal ik het gedeun uwer liederen doen ophouden en het geklank uwer harp zal stom worden."
O ! Ezechiël verscheurde me van smart, en ontzette me om z'n geestvervoeringen, waarin de Geest Gods hem ophief :
״Toen zag ik en zie een stormwind kwam van het Noorden af, een groote wolk en een vuur daarin gevangen, en een glans was rondom die wolk ; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs."