254
gehoord had, doortrild van iets heel verhevens, dat me half deed sterven van geluk en ontroering.
Ik geloof niet, Florence, dat ik als Jodenkind, 'n historische toelichting noodig had.
Ik doortastte die woorden met de ziel van een jood, en de profeten verzongen profetieën in mijn oor !
Hun hoogste taal was mij eigen zielespij s.
Nu kwam er uit de psalmen een stem van Azaf, van den opperzanger :
Mijn stem is tot God en ik roep:
Mijne stem is tot God en Hij zal 't oor tot mij neigen.
Ik hoorde zijn roep en gesmeek, ik vroeg me zelf, wie hij was en ik vond hem in de trillende ziel zijner klanken.
Verstond ik Jezaja niet, z'n stem, vermaan en z'n ziel ?
Leert goed doen, zoek het recht,
helpt den verdrukte, doet den weezen recht,
handelt de twistzake der weduwen.
En schalde z'n stem niet door mij heen in een goddelijken huiver van eerbied :
Hoort, gij hemelen! en neem ter oore, gij aarde!
want de Heere spreekt: Ik heb kinderen groot
gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden.
En hoe zoet doorklankte me toen al 't verlangen naar het meisjen, als de zoon van Amos zingt :
״Nu zal ik mijn beminde een lied mijner liefde zingen van zijn wijngaard."
Maar als hij voortgaat, en bouwt, al bouwt; want niet de zinnelijke, maar de geestelijke liefde Gods doorstormt hem hier de machtige ziel.
Ik luisterde naar Jezaja's roep :