253
van verzet, Jood van opstand tegen de ongeloovigen, en Jood van profetie. Ik hoorde een onzichtbaar koor van Hebreeuwsche mannezangers uit 't heilige land op me aanzwellen, als ik 's avonds de synagoge inging en onder tranen van smart en geluk werd in me geboren, in ״'t huis mijns vaders", een alles doordringende drang naar een godvruchtig, verheven en goed leven.
VI.
Florence. Er waren heele oude stille grachtjes in Amsterdam waar ik als kind, op den Sabbathzomer-namiddag, heel alleen ronddoolde, als de zon heel laag aan 't wonderen ging tusschen plantsoenboomen en de grillige lijnen van verre goud-tintige oude geveltjes.
Liefste, liefste, hoeveel tranen van geluk en van emotie heb ik daar niet verweend ? Ik bracht er heel ontroerd mijn droomen mee, onder het schemerend lommer van groote beuken en kastanjes. — Geen sterveling op dit uur die dat grachtje passeerde, 't Was er voor mij, in Sabbath-wijding. Een oudvrouwengesticht stond er, en rondom een plantsoen, prachtig goudgroen, doorgloeid van namiddag-zon. En vèr, gouden luchten, violette en roode wolken in rondstapelende toovering van hemelburchten.
Lieve, daar had ik mijn stille visioenen en zachte of woeste profetieën van het joodsche leven en volk.
Het was er voor mij een diepe mijmer over de voorvaderen, niet gezien in 't stroeve kommentaar van bijbelteksten, maar alleen door mij omzweven met 't dichterlijke der groote herinnering.
Onder dat schaduwend lommer, op 't doodstille grachtje, vermijmerde ik de woorden der profeten, gaf ik mijn kinderziel verklaringen en uitleggingen.
Ik zat verdoken in de schaduw van een blanken stoep, neergehurkt en doorhuiverd van wat ik zelf in de psalmzangen