250
Dat .,het gebeurde eens" bracht al de diepste ontroering. En het verhaal onzer verdelging, de tragedie onzer slavernij ; de ontzettende tocht van God-zelve door het Egypteland ; de vloeken en 't uitsturen der plagen vooral huiverden door mij heen.
Kon een kind ooit den klank vergeten dier vreeselijke he-breeuwsche vloek-woorden : Dam,.... Séfardeèang,.... Kiniem .... in hun bloedende visioenen oproepende tragiek ?
Ik sidderde van die wraakzucht, maar ik geloofde in de beschikking van God !
En hoor nu de moduleerende uitlegstemmen van al de groote sneeuwwitbaardige rabbijnen telkens tusschen de verschrikkingen van het vreeselijke verhaal. Rabbi Akiba vooral met zijn dialektischen gedachten-opbouw en z'n joodsche apokaliptische begeestering.
Eindelijk lieve, kwam de emotie over de uitvaart en de verlossing der Joden.
Ik hoor nog het woeste geschrei der kinderen Israëls onder den opgelegden zwoeg door de Egyptenaren, den angstroep naar hun Eeuwige ! •— Ik zie nog zich openen de groote allegorie, den uittocht, en ik hoor weer den huiverenden klank van Gods stem er doorheen :
,,Ik zal dien nacht Egypteland doorgaan en elk eerstgeborene in Egypteland slaan van mensch tot vee en over alle Egyptische goden zal ik gericht uitoefenen. Ik, de Eeuwige !" God zou gaan en geen engel. God en geen Seraaf !
Maar niet minder leefde ik mee de bloedige verschrikkingen onder de heidenen ; de pest en de duisternis ! De vreeselijke duisternis vooral, die mij deed krimpen van meelij ; en de dood der eerstgeborenen.
Maar alles viel weg bij 't wonder der terugstroomende zee, de vreeselijke Jordaan die de vervolgende Egyptenaren wèg-kolkte naar de diepte en de kinderen Israëls op het droge deed doorgaan.
Elk woord van den Eeuwige daverde tusschen onweergerucht