249
het vreugdelijk feestlicht óp, overal langs de wanden der kamers. Ik zie mijn moeder zitten, met haar blanke muts en wit jakje in gianzend-verstijfselde plooien, haar gezicht naar vader gericht, luisterend als 'n kind. — Mijn oud grootje, met den vermummelden mond éven opengebeefd, 't verdorde gelaat verstrakt van vroomheid. Ik zie mijn doodarmen oom zitten, 'n straatventer, zich heel behagelijk koesterend in 't feestelijk lichtgeschitter, zich verkneuterend in 't zoetige sap van den rooden en witten wijn, en in de geuren van warm avondeten, dat komen ging. Ik zie z'n spichtig vrouwtje met haar smid konijnenkopje in ernstigen staar vader beluisteren. Ik zie mijn broers in dezelfde leesaandacht de oogen naar vader ; vader, in z'n grooten leunstoel zich-zelf verwevend in den geheim-zinnigen luister der vroegere tijden. Ik zie hem zitten, vlak bij me, en toch alsof ie mijlen verwijderd was. Ik hoor z'n vertelstem vlak aan m'n oor, en toch alsof ze uit de lucht daalde. Ik zag 't schemeren.
En toen z'n verhaal ging over de groote rabbijnen, en hun wonderen, weende ik stil van geluk, heel diep binnen-in.
0 ! de inzet van het Paaschfeest had mij al dadelijk vast.
Er zat in den eentonigen rhytmus van mijn vaders stem zooveel dagleed verborgen.
Het Hebreeuwsch klonk voor mij klagelijk en zacht, teeder en wild. En als ik las de diepste bedoeling van de eerste klacht : Dit is het brood der ellende, 't welk onze voorouders in het land Egypte gegeten hebben. Elk die honger heeft, kome en ete, elk die 't benoodigd is kome om 't Paaschfeest mede te vieren.. .. dan ging er al één lange huiver door me heen.
Denk je in, Florence, hoe 't me ontroerde als plechtiglijk de woorden weergalmden :
,,Het gebeurde eens dat Rabbi Eliëzer, Rabbi Josua, Rabbi Elazar, de zoon van Azarja, Rabbi Akiba en Rabbi Turphon te Bené-Berak bijeenzaten en den geheelen nacht van den uittocht van Egypte verhaalden"....
En al wat er dan volgde !