248
't zonnelicht ; 'n gloed waarin de rozen zouden aanschitteren tot een blankte zooals op aarde nooit nog een rozenzee gelicht had, ik zou gehuiverd hebben met luisterlijke verrukking.
Florence ! Is er iets onbewuster en echter dan de poëzie van kinderdroomen ?
Zijn ze niet geheimzinnig van sfeer, teer en ver als 't sterre-lic.ht, niet zangerig als de golfkabbel van 'n stille zomeravondzee ? Is 't niet het lcweelen van 't leven in de nog ongewonde ziel ?
Lieve, wat groot en onbesmet wonder voor mijn kinderverbeelding toch die Paasch-avonden waren ! Juist dan voelde ik den verstervenden weemoed van onzen stam. Juist dan voelde ik hoe vreemd wij hier in de westersche wereld rondzwalken, hoe gepijnigd verschrompeld, gesmaad, onbegrepen en ontworteld.
Het was mij toen 'n behoefte alleen de tragiek van die rondzwervingen te zien.
Je kunt je niet voorstellen, kind, hoe de opstanding naar Jeruzalem, zonder dat ik eenig begrip had van Zionisme, mij als kind voor de gloeiende verbeelding heeft gevlamd.
Op den roodtoovrigen Paasch-avond met zijn wonder-intiem licht, en z'n diepe religieuze bekoring, sloeg mij één heilige aandoening om 't hart. Mijn kinderziel beefde in één goddelijke begeestering als ik luisterde naar mijn vader. Ik leunde dan op m'n linkerarm en mocht als jongste van 't gezin allerlei vragen doen. Ik vroeg, vroeg gretig en hevig ontroerd, zoodat mijn vader al meer vertelde, al grooter en geheimzinniger verhalen, met veel kabbala-wonderen, de mystiek der hooge-priesters, en veel tragisch gebeuren.
Ik was dan geen kind meer, ik was in d'oude tijden, voelde mij om beurten hoogepriester, krijger, kabbalist, zwerver en opstandeling. En om mij heen ergens hoorde ik 't ruischende gezang van Davids harp.
Ik kon elk moment weenen van ontroering.
O lieve, in welk wonder zag ik die Paasch-avonden met