247
schelijkheid niet. In geen enkel vroom-joodsch gezin wordt over Jezus gesproken.
Ik droomde mijn eigen kinderfantasie, maar in zoo intense diepte en met zoo innige lichtwarmte en schaduwkoester, dat ik in zuivere penseeling de teederste gestalten van dat oud Oosten en de machtigste heroïek van Simson en David voor mijn oogen kon omtrekken en samenbrengen tot levensgroepen van groote tragiek.
Was 't kinderlijke verbijstering ? Maar poëzie ! Alles wat de sfeer der hoogste schoonheidsontroering raakt wordt van zelf verbijstering van de hoogste orde. Met onze nuchtere doorluchtigheid dringen wij niet in de groote geheimenissen en beduiding van de levende schoonheid.
Ik wist tóen niet dat mijn zalig meeleven, in weemoed en verrukking, van dat oude Oosten, zou vernield worden door een even sterken drang in mij : de analyse, en 't vooropstooten van de onbarmhartigste waarheid, waar ik 't leven zag opgesmukt met leeggeloopen idealen, met vrome voelingen ; niet van binnen uitgegroeid, maar van buiten af aangedragen als pronkige gevoelsdekoratie van ceremonie.
Met welk klokgelui en welke zilveren zangtonen kan ik je vergelijken, Florence, wat in mij zong aan verheerlijkende ontroering, als de Paasch-avonden ons huis vertooverden tot iets wonderlijks-moois voor mijn jeugd-oogen.
Mijn kinderziel was van een zéér hevige religieuse innigheid, die naar 't wonderdadige verlangde.
Als men mij had gezegd toen, dat God, alle zonnestralen dien morgen over de aarde uitgeschoten, plots ging scheiden, een voor een vatten en ombuigen tot gouden, flikkerende bogen, gloeiend van glans, waar telkens 'n goed mensch onder door zou gaan, en den Hemel instormen, ik zou 't geloofd hebben en aangehoord met hoogste verrukking.
En als men mij had gezegd toen, dat Gods aangezicht, daar plots achter 'n wonder van witte rozen zou doorschemeren, met 'n heiligen gloed die duizendmaal verblindender was dan