246
II.
Er was een periode in mijn jeugd dat ik alléén in verrukking en begeestering mijn volk wilde redden.
In mijn jonge ziel zat een vurige geloofspracht ; er laaide verrukking in me op bij 't gedenken der lichtende glorie van mijn oud volk, verrukking die telkens uitbarstte.
In een fonkelend verbeelden zag ik over de zee, den Jeru-zalemschen zonnegloed. En als dan 't late hemelvuur over de zengende golven een vlammebrand aanstak, en gouden fonteinen, van af de verste kim een glanzenregen neerspren-kelden, dan kwam een opstandingsgevoel me doorsidderen, een heilige aandoening. Het ruischte door me heen en de gedachte ging leven : dat ons volk moest gered worden, weer moest opgaan naar het Oosten, allen te zaam naar de stad der steden ; dat ons volk weer moest loopen in z'n aureool van heilige uitverkorene kinderen Gods ; dat overal in hen een gloed moest uitstralen; dat ze moesten tegemoet gaan, dwars door de moderne steden, fier en vol deemoed toch, 't wondre licht van hun stad, met d'r violette weerglanzen en gloeiende lichtspelingen, d'r krijtblanke, felle marmerhuizen en barnende hemel-hitte ; dat zij moesten herwinnen hun Jerusalem, vol nog van hun krijgszang, gods jubel en bazuingeschal; dat dan de goud-lichtende poorten der wijken zich van zelf voor ons volk openen gingen.
O ! In wat diepen zwijmel zouden de gesmade joden opsnuiven de bloemgeuren van het Oosten ; met wat gouden jubel in het hamerend hart zouden zij zien den zoeten groei van hun olijven en vijgen. Hoe zou de cypres hen omgeuren en de myrre in reukigen wellust vertellen van hun oude glorie, vertellen van hun koningen en helden, zangers en profeeten.
III.
Florence, geen sterveling weet hoe ik als knaapje dien heiligen droom droomde ! Ik kende toen Jezus en z'n goddelijke men-