243
't moedertje en 't kindje niet uit, dan hoorde ik dadelijk ook dien goeden oude grommen ! Ik zag 'm zitten z'n pijpje den mond ingebeten om 'n ronde tafel. Hij, lezend als 'n kind-pasop-school, uitpuffend z'n rook, rustig, dom, maar plezierig-dom, niet eigenwijs-dom, en goedgeloovig ; met 't geelgoud van de avondlamp op z'n brombeergezicht, waarop al de knorrige dagtrekken vergroezelden en verzachtten tot iets schaduwigs-intiem en beschermends voor kind en moedertje.
Ik zag 't moedertje voor de kleine zorgen, heel bedrijvig, haar kleine gedachtetjes over 't kind, vasthaken telkens weer, aan 'n nieuw bericht, en ik geloofde dat 'n mensch met zóó'n lieve stem ook 'n lief gezicht moest hebben, vooral mooie oogen. Ik voelde ook dat ze wel heel dikwijls aan haar man zou denken.
Ik ging zelfs sympathie voelen voor den knorrebaas, dat hij het vereenzaamde leven van dit moedertje zoo knussig verwarmde met z'n brommerige gezelligheid, z'n bijbelteksten en ongeluk-berichten. En iederen avond zag ik al mooier atmosfeer van avondstil genoegen over 't gezinnetje heenzweven.
Ik had lust van dat burgerlijk gezelligheidsleven alles te verwerken wat om en in dat huisgezin gebeurde.
Zus had 't moedertje op de trap gesproken en mij gevraagd of ik haar soms zien wou.
Eerst wilde ik niet ! Ik was bang dat daarna haar stem niet meer zoo mooi zou klinken, dat ze leelijk zou zijn, dat ze hard en ruw in haar manieren zou wezen. Maar Zus stelde mij gerust. Toen kwam ze, 'n meevaller Florence ! Ze was mooi, ze bleef lief, haar stem klonk ook aan m'n bed zangerig en zacht, en ze had 'n tenger tooneelmooi slank lijf.
Ik mocht niet lang met 'r praten. Ze vertelde allerlei liefs van haar kleintje: dat het al gesproken heeft op z'n vijfde maand.
Ik lachte, vond die overdrijving innig, zei alleen dat 't stamelen de grammatika van 't zuur wel zal geweest zijn. Ze lachte, schoon ze niet heel best begreep.
Nu zie ik dat vrouwtje wellicht nooit meer. Dat kan me ook niet zooveel schelen, maar als herinnering heb ik lief dat