242
het gehuil, lief kindergestotter en gekir, haar innige zangerige stem in helpende bezigheid.
— Poppedijntje, kollebijntje ! zong '1: telkens, in ander rhytmus.
Dan lag de kleine weer te ginnegapen, zoetjes te grinneken alsof 't klaarlichten dag was ; en dan stoeide 't moedertje met haar lieveling alsof 'r nooit slaap in de oogen gesard had.
In den stillen nacht hoorde ik 't kriebelig gekir van 't kindje en den moederlach ineenklanken. Ik lag stom-ontroerd te luisteren en m'n slaaploosheid drukt me veel minder.
Heel dat leventje onder me, waarvan ik ook weer niets zag, trok me aan, om 't gemoedelijke, rustige, weinig-eischende en diep-eenvoudige.
Ik hoorde den ouden brombeer bidden bij de maaltijden met z'n vrome zware stem, en dadelijk daartusschen 't ge-kwekker van 't kindje, en 't zangerige geluid van het moedertje, 's Avonds, half acht, als de tingeltangel er nog niet was, en ik heel stil te peinzen lag, de stikkingen ook wat wegbleven, bromde plots onder mij óp grootvader's keel. In 't eerst wist ik niet wat hij deed. Later bemerkte ik, dat hij 't moedertje de heele krant voorlas. Ik hoorde haar dan zorgelijk heen en weer gaan, haar zoetgestemd poppedijntje en kollebijntje naar 't wiegje gooien, tusschen het gebrom van den oude, die al de berichtjes en al de advertenties, met kinderlijke lees-stroefheid in uitspraak en zinsvorming, uitstalde voor haar neus.
Die eenvoudige bourgeois-vrede deed me goed, stemde me rustig.
't Was mij lief, zooals 'n droeve glimlach inniger kon zijn dan 'n schater, omdat het stille, zacht-aangedane en broze, fijner van levensaccent dikwijls is dan de bolle, rijpe en grove vroolijkheid. Zooals er 'n innige voornaamheid is in verstilde en zachte melancholie.
Ik lag alleen in m'n ziekekamer ; verpleegster las of rustte. Zus deed in den vooravond bijna altijd haar boodschappen voor kookgerei. De uren, zónder dat leventje benéden mij lag ik önheimelijk, moederziel alleen en ellendig. Maar waren