zeventiende hoofdstuk.
In den vóóravond Florence, doorleefde ik een ding waaraan ik roerend gehecht was.
Ik vertelde je al lieve, dat ónder mij een jonge vrouw woonde van een zeeman, die om de drie jaar thuis kwam. Alleen haar vader, de grombeer woonde bij haar in. Het stemmetje van die moeder hoorde ik iederdag, en ook 't geschrei van 't kindje. vSoms uren achtereen en toch maakte 't mij niet wrevelig, wijl ik de stem van 't moedertje zoo lief vond, en haar maniertjes om 't kind te sussen, prachtig.
Vooral in den middag als er schemer aansloop in 't huis, hoorde ik haar ontroerende moederstem zorgelijk en liefkozend 't kind bekeuvelen.
Ik had haar nooit gezien, ook niet 't kindje, maar nu twee maanden lang li oor de ik haar dag en dag in een levenszuivere overgave zonder te vermoeden dat ze zóó door mij beluisterd werd. O ! lieve, wat had ik dikwijls te doen met dat moedertje, dat alleene vrouwtje dat haar man ver weg had zwalken, 't Ergste vond ik, dat wat er ook met haar gebeurde ze 'm nooit eerder zou zien dan over twee jaar, bij z'n terugreis.
Ze was bevallen had Zus me verteld, toen 'r man al weer op zee zwierf, en 'n jaar later, nog nooit in léven z'n kind gezien had.
Ik dacht sterker aan m'n broer's eenzaamheid in z'n dorpje nü, aan 't zoontje, wèg van z'n moeder, 's Morgens, 's middags, 's avonds, in 't hartje van den nacht, als de driftige kleine 't zeemansvrouwtje riep, stond ze klaar en hoorde ik weer tusschen
16