238
Zus zou toch probeeren ergens anders 'n kamer te zoeken, schoon ilc niet wóu dat ze op den dag langer dan 'n paar uur van me weg bleef. Zij begreep me in alles op 'n wenk, en in 't bijzonder als de stikkingen 't hevigst waren, was haar bijzijn me 'n zaligheid.
Op den dag probeerde ik nu óók te slapen, wijl ik toch iederen avond tegen half negen al de repetitiën en den tingeltangel tot twee uur 's nachts verwachtte.
Ik was er nu niet meer zoo bang en ontsteld van. Er kwam langzamerhand in mij een samenvloeiing met dat joelende ver-maakleven achter den muur. Er ontdooide iets in me !
O ! lieve, wat er toén in me gebeurde, behoort wel tot de vreemdste sensaties in mijn ziekte ondervonden. Hun ruw en liederlijk zangspel en pianogeroffel, droeg ik over heelemaal onbewust, in een sfeer van herinneringsgeluk aan jou spel.
De piano achter den muur verroffelde en verspoelde d'r tonen, woest of traag, ik hoorde alleen jou ! Ik leefde als 't ware letterlijk in één tijdgebeuren, twéé of méér toestanden door. Ik hóórde den liederlijken deun, en ik hóórde jou spel. Ik hoorde hun rauwen zang, en ik hóórde jou stem zilveren en klankwiegen. Ik leefde tüsschen de lui, en toch heel apart met mijn eigen verrukking voor jou ! Hun zang en dans en getier transponeerde tegelijkertijd öm in een prachtige realiteit-vanherinnering, die tüsschen 'n werkelijkheid van 't gebeuren opgroeide.
Dat was 'n goddelijke sensatie, maar ze vermoeide me hevig, zoodat ze wègbleef, dikwijls ! Dan leefde ik de tingeltangel weer anders meé.
Iedere stem die ik hoorde achter den muur gaf ik gestalte. Elke zang zong ik mee, stilletjes. Wat mij eerst 'n brute marteling was geweest van rauwe wondende realiteit, werd langzamerhand 'n afleiding voor me. Telkens hoorde ik schaterend gegier en in me lachte dan óók iets, zonder dat ik wist waarom gegierd werd. Het spel van den pianist volgde ik nu nuchter ; de deuntjes oók. Ik bekritiseerde in mijn eentje alles wat ik hoorde ; de stemmen, de muziek, de moppen, de duo's, en ik