237
moest. Maar waar ? 't Was het eenige moment in mijn ziekte dat ik Zus den moed zag verliezen, schreien en dingen hoorde zeggen in mijn bijzijn, die me weer tot de grootste droefnis en angstpeinzing deden terugzinken.
Ik vernam toén wat ze al ondervonden had bij het zoeken naar woningen. Ze vertelde dat er geen buurt te vinden was waar voor 'n zware zieke dag-rust heerschte.
Maar 't ergste en pijnigendste klonk wel uit haar mond de bekentenis dat ze drie woningen zeer geschikt had kunnen krijgen, doch dat de verhuurders bij 't hooren van onzen joden-naam dadelijk de vertrekken weigerden. Ze verklaagde toen nog wat smaad ze te ondergaan had, van 'n wijf en 'n kerel, die haar bovendien er onbarmhartig bij beleedigde uit wrok tegen de joden. En eindelijk vernam ik met wat 'n groote moeite ik zelfs de kamer had gekregen waar ik nü lag.
III.
Florence ! Ik had alles gehoord ! Ze had wel zacht gesproken Zus, maar toch niet zacht genoeg om niet door mij verstaan te worden. En in dat door smartelijk snikken afgebroken verhaal aan mijn dokter, hoorde ik de droefnis van mijn eigen jeugd weenen, de herinnering aan allerlei smaad, heel 't leven door ondervonden als geboren jood.
Je weet lieve, ik haat allerdiepst verweeking van gevoel door zelfleed-analyse. Nu ik weer iets beter ben, voel ik mij weer fier en vol levenskracht. Je weet dat er voor mij niets schooner en heerlijker bestaat dan 't leven in den groeienden woel en strijd van mijn kameraden, onverschillig of ze jood of Christen zijn. Maar toch, ook vóór m'n ziek-zijn droeg ik nog dikwijls herinnering aan vroegeren smaad met mij ! En nu, in die slaap-looze nachten, vermijmerde ik weer zooveel van dit jeugdleven, en bracht ik bijéén 't grievende en smartelijke, opgewekt door den smaad, dien Zus nu voor mij ondergaan had.