235
Van slapen was geen sprake meer !
Zus had me verschrikt aangekeken, want ze wist dat alleen slaap me weer wat opfrisschen kon. Ik zag 't bleekschimmig beschenen gezicht van Zus naar den muur staren, waarachter de siorm aanloeide, en 't nachtlichtje verdanste 'n silhouette-kankan op de schokken van 't lawaai, 't Was zoo fel te hooren, alsof ik er midden in stond.
Heel de kamer begon voor m'n heete oogen te verkrioelen in lichtend en wegduisterend gestèr. Een woest-fantastische sfeer van schaduwen, vale glimsels en lichtvonken dwarrelde me voorbij, omkoortste m'n brandend gepijnigd hoofd.
Ik zag me zelf doodsbleek liggen op de kussens, 't gezicht aangevreten van schrik.
Van de avondtuincn uit, klonk dóór, het orgelende mannekoor, zwellend en overstelpend van gedragen breedheid, maar telkens rauw en demonisch doorbroken van tjingeltjangel ge-krijsch en pianogeroffel.
M'n Verbeelding ging weer lievig aan 't werk, zonder den wil.
II.
Wat ik dien eersten nacht niet voor helsche karnavals gezien heb, Florence, dat is onzeggelijk ! Heel het middeleeuwsch Italië met z'n brug-der-zuchten en z'n demonische maskarade-feesten z'n liefdesvervoeringen en romantiek van woeste schoonheid, tafreelde zich voor mij uit, in wondre bekoringsgroepen. En telkens in de verhitte koorts van gestoorde rust en over-stonnde zenuwen zag ik jou Florence, wérkelijk vóór me ! Je zweefde blank en schuchter in zwier me omzegenend met de wonderstof van je kleed, om me heen, als 'n nimf van Botticelli.
Ik riep je, ik ijlde, en soms hoorde ik me heele zinnen zeggen, zonder ze zelf te verstaan.
Ik voelde me ademen in den hellenkring en 't hellevuur roosterde m'n aangezicht.
De zang verscheurde m'n zenuwen, kerfde in m'n angsten, en telkens 't verre koor, dat in stemmestijg aan kwam golven,