231
Dan staat liij alleen, doodalleen, te midden van z'n innigst spel.
O ! dat is zoo aandoenlijk ! B.v. in een zwenking van hun samenspel is 't voor hèm noodig dat plots in 'n donker kamerhoekje de zon schijnt. Dan ziet hij daar zón en nu zegt hij 't !
Z'n doodnuchter makkertje hoort en kijkt beteuterd, zégt doodkalm dat 't donker is.
Nu kijkt Arie op z'n beurt verwonderd ! Donker ?.... Nee zön ! Goed, knikken de makkertjes, want even begrijpen ze, dat Arie ,,maar wat zegt". Vijf minuten later hoor je plots wanbegrip.
Ze hebben dan de gansche fantasie-realiteit van Arie vergeten en houden allemaal tégen hem vol dat 't donker is. Maar hij, doorlevend in z'n eigen realiteit, had niets vergeten, ziet 't nog steeds zonnig. Dan botsen ze, loopt Arie ontdaan naar z'n moeder of mij en huilt stil.
Zoo draait ie alles op den kop, maakt van 'n zonnehoek in den tuin b.v. inééns 'n donkeren stal. Hij stommelt dan tastend overal doorheen, houdt dat prachtig vol, leeft precies als in-de-werkelijkheid van den stal. Elke fout die hij z'n makkertjes dan ziet begaan, ergert hem, doet hem wegdruilen, verslagen staan.
Nog een wonderlijke voorstellingsw7erking in hem is zijn bezielen van alles wat dood is. Hij kan zich geen doode dingen voorstellen. Alles bezielt hij. Ook daarin heeft hij veel te lijden van z'n makkertjes, 'n Huis leeft voor hem, 'n machien óók. 't Water, de hemel óók. Alles zingt, spreekt, of treurt. Hij is 'n écht sprookjeskind, voor wie uit eigen natuurlijke behoefte alles vanzelf bezield is.
Prachtig kwam gisteren z'n echt natuurtje uit, toen 'n vriend van ons onverwacht zich tot 't groepje spelende jongens wendde, een op z'n schoot trok en vroeg : „Wat wil je worden als je grooter bent ?"
Allen luisterden gretig, ook Aay.
— Agent, antwoordde de jongen blij-schuchter.
— En jij ? vroeg nrn vriend dóór, aan den tweede :