230
Heel blij neemt hij 't roodgele instrumentje in de gretige knuistjes, zet 't tegen z'n kin, haalt er 't magere, dunharig-zwiepende strijkstokje over heen.... hoort dadelijk 't gekerm. . en begint heel ontdaan stil te houden, de oogen vol kindersmart.
Nooit zag ik erger ontgoocheling op 'n kindersnuitje.
Toen hij 't den tweeden keer zag, lei hij 't viooltje doodkalm op den grond, en ging er op staan, zonder 'r 'n woord bij te zeggen. — Krak-krak kreunde 't ding onder z'n voetjes en met 'n allerinnigste minachting, schoof hij met z'n voeten 't ineengetrapte instrument opzij, ook weer zonder 'n letter van toelichting of verontschuldiging.
't Was prachtig van zwijgenden hoogmoed en lïerheid.
Dat kennisje had onbewust iets heel superieurs in 'm gekwetst. Nooit sprak hij meer over 't viooltje en we zeiden er ook niets meer van.
III.
Hij is 'n ontzaglijk gevoelig zienertje, die maar niet dat fijne, prachtig-kinderlijke kan verliezen, al banaliseert hij zich ook in den omgang met de grofste bengels. Als 'n prinsje loopt hij tusschen ze in, soms heelemaal wèg in eigen fantasie en mijmer, soms vuriger, joliger en brutaler dan al de jongens bijeen. — Meestal kan hij niet met hun nuchter-normale fantasieloosheid overweg. Wat heel gauw te zien is.
Ik zei je al lieve, dat hij alle verhoudingen schept. Zijn verbeelding is zóó zuiver en sterk, dat hij ze ook in z'n spel voortzet, ganschelijk onbewust.
Dan komt er botsing tusschen z'n fantastische varianten en de vlak-aan-de werkelijkheid blijvende nuchterheid der andere jongens. — Het is in hem zóó klaar, dat hij ook 't zelfde van z'n makkertjes verwacht. Komt er nu niemand in 't midden, die de levenssfeer dier kinderen inéén weet te werken, dan begrijpen ze niets van elkander ! Want z'n wonderlijkste invallen kan hij niet verklaren en de nuchtere makkertjes snappen hem niet.