224
Al wat ik de ziektemaanden aan lucht ben te kort gekomen, drink ik nu met kannen in. 't Is hier altijd prachtig ! 'n Decem-ber-middag, als 't wat gemist heeft, en de late zon de stille armoe-wijkjes verguldt met rooden nevel; de lente en de zomerochtenden. ... o, dan staan de dagen op de aarde in blinkenden, stralenden zonnetros. God, God kind, wat staan de dagen toch goddelijk mooi in 't leven, als je zién kunt. En die duinen hier in de roode, violette en gouden lichttooverij. Iedere minuut van elk soort weer ook, is me een verrukking. De gedempte en grijze sluier der droeve mijmer dagen is mij even schoon als de zonnepurperende en laaiende dagen. Ik bespied eiken lichtgang. Ik neem in me öp elke schaduw, en de ragste nuance van ieder tintspel, eeuwig anders en wisselend onder het magistrale hemelgebeuren.
II.
Stel je voor, Florence, dat ik vandaag met Aay aan den arm, m'n zonnig-omgloeid zomerhuisje uitstap, 't tuintje door, 't knerppad op, de duinen in, langs bloeiende akkers en bosch marcheerde. Niet te ver, want dat durf ik nog niet. En nu 't droomertje aan m'n arm huppelend, telkens z'n blauwe kiekers van de geurende lucht naar mij, naar vogeltjes, naar zonnebloemen, naar al wat er schitterkleurt, leeft, klapwiekt, fladdert, vliegt en gonst.
En dan Florence, z'n wondre vraagjes, en als je'm niet heel bevredigend beantwoordt, z'n eigen fantasie ! 'n kereltje van zes !
— Hee David.... als ik.... als ik nou dat rad.... dat rad in één ziet u, zoo in één hupla ! met m'n armen tegen hou.... enne.... en.... dan staat 't toch stil niet ?.... dan.... dan, hou ik 't zóó in de lucht.... zo .... heel hoog.... en.... enne stil staat 't uitgedraaid! niet David ?
Waar valt hij daar in één op met z'n fantasie ? Ik zoek.... ben verbaasd !.... O ja.... ik heb 't!
Hij heeft 't nog over 'n drijfwiel, dat hij in de machinekamer van 'n groot hotel, in snorrenden gang heeft zien wentelen,